|
Extra: Een kleine geschiedenis van De Brug
(...) Islambol kun je er nog aan toevoegen. En Stambul, Estambol, Nieuw Rome en Nieuw Jeruzalem. En de Stad van de Heiligen, de Stad van het Kalifaat, de Poort tot Geluk, het Oog van de Wereld, de Wijkplaats voor het Universum. De Bulgaren spraken over Tsarigrad, de Stad van de Keizers. De Armenen over Gosdantubolis, de stad van Contantijn. En de Grieken hadden het simpelweg over 'polis' - 'de stad': er was geen andere.Een van de oudste gebouwen van de stad staat vlakbij de brug. Het is een hoge vestingtoren op een heuveltop. Het uitzicht is al eeuwenlang min of meer hetzelfde: de heuvels, de zee, de Bosporus waar nu een blinkend witte Amerikaanse love-boat passeert, de Gouden Hoorn waar een visserssloepje knallend tegen de golven vecht. Zo’n zeven eeuwen geleden werd de toren neergezet door kooplieden uit Genua die, na allerlei militaire en diplomatieke schermutselingen, het recht hadden verworven om aan de noordelijke kant van de rivier een eigen handelsmissie op te zetten. De huizen en gebouwen van deze vrijha-ven stonden, met hun rode pannendaken, als een amfitheater tussen het gras en de bomen van de heuvel, met de toren op de top. Galata heette het stadsdeel, en het hele gebied werd aangeduid als Pera - 'buiten' in het Grieks. De Genuezen mochten het besturen alsof het van henzelf was, en zo werd Galata inderdaad al snel de stad van buitenstaanders. Een voorbijtrekkende Nederlander, Jan van der Steen, tekende rond 1770 het uitzicht: vooraan de drukke rivier, de Gouden Hoorn, aan de overkant de bossige heuvels met het paleis van de sultan en de grote moskeëen, daaromheen de enorme stadsmuur, daarachter de Zee van Marmara, links de Bosporus met twee zeilschepen en een dozijn vissersbootjes, aan de horizon de met sneeuw bedekte bergentoppen van Anatolië. Van een brug is nog niets te bekennen. De twee verschillende stukken stad lagen op een kwartiertje roeien bij elkaar vandaan, en die afstand was niet onaangenaam. Sindsdien zijn er vijf achtereenvolgende bruggen gebouwd, de schepen zijn honderd maal zo groot, bovenin de toren viert een nachtclub feest, de sultan is, met zijn rijk, opgelost in de geschiedenis. Het groen in de verte is nu, heuvel na heuvel, overdekt met een permanent zoemende grijsgele korst, doorsneden met banen waar duizenden witte, rode, zwarte en zilveren lichaampjes zich over voortbewegen. Maar de helderheid van de oude stad, het licht en de zee zijn nog altijd dezelfde. Het blauwgroene water, de kleuren, de permanente beweging van de golven, ze doen onuitsprekelijke dingen met het zonlicht van een vroege voorjaarsmorgen of de nevels van de avondschemering. Hans Christian Andersen, die op een juni-avond in 1841 op ongeveer dezelfde plek stond, beschreef het 'stille, donkere cipressenbos met de witte graven' aan zijn voeten - vlak voor de oprit van de huidige brug lag eeuwenlang een gigantische dodenstad; daarover-heen zag hij 'de heldere zeebocht waar schepen met lampen in de kanonsgaten en aan het grote touwwerk lagen te schitteren en daarachter het grote Constantinopel waar duizenden lampen als kransen om de hoge witte minaretten hingen.' 'Oh God, wat schitterend!' schreef hij een vriendin. 'Ga erheen! U moet erheen! Vanuit Wenen kost het u per stoomschip maar honderd rijksdaalders voor de eerste klas. Ga, u moet!' Het was inderdaad een betoverende hoek van de aarde, altijd al. Al ver voor de jaartelling was er sprake van een soort stadsleven – in de oude stad zijn sporen van dichte bebouwing gevonden die zo'n vijfduizend jaar teruggaan. In de zevende eeuw voor Chr. stichtten de Grieken er een kolonie, Byzantium, die op dit vitale snijpunt van de water- en landwegen al snel een bloeiend bestaan leidde. Zo'n duizend jaar later, in 324 na Chr, besloot de Romeinse keizer Constantijn de Grote er de nieuwe hoofdstad van het Romeinse Rijk te vestigen. Volgens hem was het een aanmerkelijk betere plek dan het 'oude' Rome aan de Tiber, en ongelijk had hij niet. Het zogenaamde Westromeinse rijk dat West-Europa domineerde zou in 476 ineenstorten, terwijl Constantijns opvolgers nog zo'n elfhonderd jaar zouden regeren over een imperium dat zich, in zijn hoogtijdagen, uitstrekte van de Alpen en de Eufraat tot aan Gibraltar.Nova Roma, het imitatie-Rome dat Constantijn haastig had laten bouwen, groeide in de daarop volgende eeuwen uit tot veruit de grootste en meest verfijnde havenstad van Europa, één grote schatkamer van kunsten en klassieken, de voortzetting van het Romeinse Rijk en tegelijk het hart van het Orthodoxe Christendom. Het was het belangrijkste economische centrum van de toen hier bekende wereld: de Byzantijnse solidus had een soortgelijke waarde als de Amerikaanse dollar in de twintigste eeuw - alleen wist deze munt die toppositie zeven eeuwen lang vol te houden. Al snel werd Nova Roma hernoemd naar de stichter: Constantinopel. In de zesde eeuw liet keizer Justitianus de Aya Sofia bouwen, een godshuis met de grootste koepel die de wereld ooit had gezien, bijna zwevend in de lucht - een bouwtechnisch hoogstandje dat men pas in de negentiende eeuw weer enigszins onder de knie kreeg. De kruisvaarders uit West-Europa waren totaal verbluft toen ze een stad betraden die, volgens een beschrijving uit 1203, vol stond met ‘rijke paleizen en verheven kerkgebouwen’, en waar de schitterende straten bevolkt werden door kooplieden ‘die eruit zien als prinsen'. Toch was de onttakeling van het Byzantijnse rijk toen al begonnen. Van binnenuit door de terreur en de plunderpartijen van diezelfde christelijke kruisvaarders, van buitenaf door invallen van de zogenaamde Turken, islamitische krijgers die afstamden van nomaden uit Centraal Azië en die alom gevreesd waren vanwege hun snelheid, bewegelijkheid en discipline. De Ottomanen golden als de meest succesvolle Turkse stam, en ze rukten jaar na jaar verder op.
De dag waarop ze de stad veroverden, 29 mei 1453, werd in het christelijke westen beschouwd als 'de laatste dag van de wereld'. Het werd een breekpunt tussen beide culturen: tot vandaag hebben wij westerlingen het over de 'val van Constantinopel', terwijl mijn kennissen op de brug, als we praten over geschiedenis, steevast praten over de 'verovering van Istanbul'. Het bloed liep door de straatgoten naar de Gouden Hoorn, vrouwen, die in hun bed lagen te slapen, 'beleefden nachtmerrie's', talloze jongens en meisjes belandden in slavernij, huizen en kerken werden geplunderd tot de laatste spijker. De beenderen van de heilige Theodosia, die zeven eeuwen lang was vereerd als voedster en beschermgodin van de stad, werden uit hun gouden kist gehaald en over de modderige straten verspreid. Volgens de Venetiaan Nicolo Barbaro, die het bloedbad ternauwernood overleefde, deinden bij de oevers honderden afgehakte hoofden op het zeewater, zoals een partij rotte meloenen soms de kanalen van zijn geboortestad versperde.'Misschien’, schrijft de Franse historicus Fernand Braudel in zijn geschiedenis van beschavingen, 'lag het lot van de Islam hierin dat het voortdurend de primitieve volkeren die zijn territorium omringden of doorkruisten aantrok en gebruikte, maar vervolgens ten prooi viel aan hun gewelddadige macht. Uiteindelijk wordt de orde hersteld en de wonden geheeld. De succesvolle krijger wordt getemd door het almachtige stedelijke leven van de Islam.' Zo verging het ook onze stad. ![]() Toen de aanvoerder van de Ottomanen, sultan Mehmed II, Constantinopel veroverde was hij twee en twintig jaar oud. Zijn wreedheid was legendarisch - als hij uit zijn geliefde tuinen een van zijn gekoesterde komkommers miste liet hij de magen van al zijn tuinknechts opensnijden om te kijken wie de schuldige was. Tegelijk was hij als strateeg onovertroffen, hij sprak meerdere talen, en keek ver over de horizon. Als bestuurder had hij onverwachte kwaliteiten: binnen een paar decennia wist hij uit de restanten van het oude Byzantium een nieuw imperium op te bouwen. De stad werd totaal overhoop gehaald. Inplaats van een gesloten vestingstad vol oude rijkdommen werd het een dynamische haven- en handelsstad, en daarnaast een regeringscentrum voor een religieus geïnspireerd wereldrijk-in-wording. Het Istanbul dat Mehmed II in handen kreeg telde, volgens de huidige schattingen, hooguit vijftig tot honderdduizend inwoners. Duizenden stedelingen waren vermoord of weggevlucht, de economie stond op instorten. De sultan begon direct met het bouwen van een nieuwe infrastructuur. Drie jaar na de verovering, in 1456, verscheen al de eerste overdekte bazar, vlak voor de huidige brug. Het was een commercieel complex van brede gangen, schemerig verlicht vanuit vijftien koepels, met ruimte voor honderd-veertig winkels en handelskantoortjes. Zo werd de basis gelegd voor een enorm handels- en marktgebied aan de monding van de rivier. Met de vroegere vijanden werden de banden verbluffend snel hersteld: een jaar na de moordadige verovering kregen de Venetianen alweer toestemming om op Galata een handelsmissie te vestigen, onder toezicht van een eigen ambas-sadeur. De Fransen volgden in 1569, de Engelsen in 1581, de Nederlanders in 1612. De gezantschappen vormden hofhoudingen op zich, compleet met page's en hofdames, en zo werden ze ook betiteld: Palazzo di Venetia, Palais de France, British Palace, Palais d’Hollande. Graaf Jacob Colyer, die meer dan veertig jaar lang de Republiek der Verenigde Nederlanden vertegenwoordigde, gold tot zijn dood in 1725 als een 'perfecte meester' in de Griekse en Ottomaanse taal. In de woorden van een toenmalige stadgenoot: 'Terwijl hij in zijn huis de hovelingen vermaakt - ze zijn buitengewoon dol op wijn - is er geen geheim binnen het hof van de grootvizier, of hij kan dat hen op deze wijze ontfutselen.' Mehmed II haalde nieuwe bevolkingsgroepen bij duizenden de stad binnen. De sultan koos daarvoor precies dezelfde soort mensen uit als de immi-gran-ten die honderd jaar later een Noord-Europese stad als Amsterdam tot ongekende bloei zouden brengen: belangrijke politieke en religieuze leiders en hun families - inclusief joden en christenen -, kooplieden, kunstenaars, ambachtslieden in duizend en één vaardigheden. Het enige verschil was dat de Amsterdamse immigranten zelf hun bestemming hadden gekozen. Mehmed dwong ze naar Istanbul, en desnoods deporteerde hij ze uit alle hoeken van zijn rijk. Het succes was er niet minder om. Een eeuw later was de stad minstens zo volkrijk als Parijs. 'Ik ken geen staat die gelukkiger is dan deze; ze is voorzien van alle giften Gods,’schreef de Venetiaan Bailo in 1528. ‘Ze beheerst oorlog en vrede, ze is rijk aan goud, mensen, schepen en gehoorzaamheid.’ Een tekening van de stad uit 1560, van de hand van Melchior Lorich, toont een Gouden Hoorn, zo vol zeilen, masten en tuigage, dat je het water nauwelijks meer kunt zien. Alle handel van het imperium leidde naar de hoofdstad, van de landroutes vanaf Polen en Syrië tot de zeeroutes vanaf Venetië, Marseille en de Krim. Minstens eens per maand arriveerde een karavaan van soms wel tweeduizend kamelen en muilezels uit Perzië, het eindpunt van een handelsverbinding die doorliep tot China.
In de uitgaansbuurten, rondom de markten, wemelde het van de akrobaten, slangenbezweerders, potsenmakers, toneelspelers en verhalenvertellers uit oost en west. Tussen de toenmalige attracties van de stad - de haremgebouwen, de talloze roedels van straathonden, de paleizen en moskeëen - staat op oude kaarten regelmatig de 'Weiber-markt' vermeld. Jonge, mooie, blanke meisjes uit de Kaukasus werden vaak door hun vaders - meestal straatarme boeren - verkocht voor een handvol zilverlingen. Ze stonden naast andere luxe waren te koop in de Oude Bazar, in dezelfde stalletjes waar nu de toeristen te veel betalen voor tassen, kleedjes en koperen kannen. En dan waren er de koffiehuizen, een nieuwe uitvinding van een paar Arabieren, waar iedereen te hoop liep en zaken deed, moslim of christen, het deed er niet toe.'Wat de ligging van de stad betreft, de plaats schijnt van nature geschapen voor een stad die bestemd is om te domineren,' schreef de Habsburgse gezant Ogier Ghiselin van Boesbeeck in 1555 aan zijn koning. 'Ze ligt in Europa, zij kijkt uit over Azië. Egypte en Afrika heeft ze aan haar rechterzijde, en hoewel deze gebieden er niet één geheel mee vormen, is de stad er toch, om zo te zeggen, mee verbonden door een gemakkelijk bevaarbare zeeroute. Er omheen wonen zoveel volkeren, en veel rivieren overal vandaan monden erin uit, zodat tot in de wijde omtrek van die contreien niets groeit tot nut van de mens, of het kan zonder enig probleem per schip naar Constantinopel vervoerd worden.' De Ottomanen hechtten aan rust en onveranderlijkheid. Aan de paar bewaarde stadsgezichten kun je nauwelijks aflezen of het een tafereel is uit de zestiende of de achttiende eeuw: de paleizen, poorten, minaretten, kerkhoven, kooplieden, honden en bedelaars zagen er rond 1750 nagenoeg net zo uit als in 1550. Alleen aan de hand van de Engelse, Venetiaanse en Hollandse scheepstypes die je in de Gouden Hoorn ziet dobberen kun je zulke schilderijen en gravures nog enigszins dateren. Al het andere straalt de illusie uit van onverwoestbare zekerheid en continuïteit. In werkelijkheid verkeerde de stad in een permanent veranderingsproces, in geen plek op aarde werd zo ijverig gesloopt, verwoest en weer opgebouwd als in Istanbul. Toen de Franse humanist en wetenschapper Pierre Gilles (of Petrus Gyllius), die tussen 1544 en 1547 in Istanbul verbleef, een inventarisatie maakte van wat hij nog aantrof van het oude Byzantijnse en Romeinse Istanbul, kwam hij tot de conclusie dat de Ottomanen na een eeuw bouwen, slopen en uitbreken nauwelijks een spoor hadden overgelaten van alle forums, portici's en andere Romeinse architectonische wonderen. En 'de inwoners gaan dag-in dag-uit door met het verwijderen, vernietigen en uitvlakken van de paar overgebleven resten van de oudheid,' voegde hij daar treurig aan toe. Permanent vlogen ook hele wijken in brand. In de meeste grote Europese steden was het bouwen van complete houten huizen om die reden allang verboden. Hier bleef het houten huis, meestal bruinrood geschilderd, de kern van het familieleven. Hout was er in overvloed in de bossen rond de stad, je kon er snel en goedkoop prachtige huizen van bouwen, en bovendien bleven ze overeind tijdens een aardbeving - deze gouden stad had namelijk één handicap: ook in diep in de aarde lag ze precies op een breuklijn, en aardbevingen kwamen met grote regelmaat voor.Aan de buitenkant hadden de stadshuizen niet veel versiering, zelfs niet de paleisjes van de rijkste kooplieden. De reden was simpel: als Mehmed II of zijn opvolgers langskwamen kon je beter niet hun jaloezie opwekken, want je hoofd lag zo tussen je voeten. Vandaar dat soms secties van hetzelfde huis aan de buitenkant in verschillende kleuren werden geschilderd, zodat het aparte huizen leken. En volgens de bouwreglementen moesten de huizen van joden en christenen altijd een halve meter lager zijn dan die van de moslims - hoewel je daar met een gouden handdruk wel ontheffing van kon krijgen. Als je goed keek was de stad eigenlijk een optelsom van dorpen. Het dagelijks leven speelde zich grotendeels af binnen de buurt, binnen de vaste driehoek huis,markt en moskee - dat kon trouwens ook een kerk zijn in de christelijke buurten, of een synagoge in de joodse. De buurten hadden een eigen organisatie, eigen buurtbewakers en een eigen bestuurder annex vrederechter voor kleine geschillen – gewoonlijk de imam van de moskee, of in christelijke en joodse buurten de priester of de rabbijn. Meestal hadden ze zelfs een eigen poort, die 's avonds op slot ging. Iedere buurt had zo’n eigen karakter, islamitisch, Armeens, joods, Grieks, westers, dat je het gevoel had - en dat lees je in reisverslagen telkens weer terug - dat je een andere cultuur betrad als je van de ene buurt naar de andere liep. De vrouwen leidden, afgezien van bezoekjes aan de markt en de familie, een bestaan binnenshuis. Ze waren bijna nooit alleen: iedere moslim mocht vier echtgenotes hebben, en bovendien mocht hij zoveel slavinnen kopen als hij wilde. Soms leefden de vrouwen, onder leiding van de eerste vrouw, in een redelijke harmonie. Vaak ook was de jaloezie om te snijden. 'De constante spanning in ons huis maakte zelfs de simpelste ceremonie tot een gebeurtenis die bijna lichamelijk pijn deed,' schreef een van de eerste feministen van de stad, Halide Edib, dochter van een kamerheer van de sultan, in haar memoires. 'De kamers van de vrouwen lagen tegenover elkaar, en mijn vader bezocht ze ieder om de beurt...' Moest een vrouw al buiten zijn, dan werd de scheiding tussen binnen en buiten kunstmatig in stand gehouden door de sluier. De ondernemende ambassadeursvrouw Lady Mary Wortley Montagu, die in haar brieven een uniek beeld schetst van het achttiende-eeuwse Istanbul, voorzag zich direct na haar aankomst van de kleding die paste bij een Ottomaanse dame van stand. Toen ze eenmaal gewend was aan alle zijde en sluiers ontdekte ze al snel de voordelen van deze betrekkelijke onzichtbaarheid: ‘U hebt geen idee hoe effectief deze vermomming is,’schreef ze in 1717 aan een vriendin. ‘Er bestaat geen onderscheid tussen een grote dame en haar slavin, en het is zelfs voor de meest jaloerse echtgenoot onmogelijk om zijn vrouw te herkennen als hij haar tegenkomt op straat, en geen man durft een vrouw op straat te volgen of aan te raken.’ De jonge Ier Lord Charlemont, die niet lang na Lady Mary tijdens zijn ‘grand tour’ in de stad verbleef, hoorde hoe verschrikt de vrouwen in de harems reageerden als een westerse bezoekster hen iets vertelde over de vrijheden die vrouwen elders genoten. Het was alsof ze verhalen hoorden over de naaktheid van Indianen of de vrije liefde in Tahiti, schreef Charlemont. ‘Ze beschouwden onze gewoonten eerder met walging en huivering dan met een zekere mate van jaloers verlangen.’
Er waren een paar ontsnappingsmogelijkheden. In iedere buurt stonden wel een paar badhuizen, meestal riant en voorzien van al het nodige. Daar ontmoetten ze elkaar, daar konden ze ook in alle rust de eventuele bruiden voor hun zoons de revue laten passeren. Voor de mannen had het koffiehuis een soortgelijke functie. Maar het meest geliefd was toch het groen. Het groen van de eigen binnentuin, het groen van de zeeoevers, het groen ook van de immense dodenvelden die zich over de heuvels binnen en buiten de muren uitstrekten, vol bloemen en kleurige grafzerken.Hele families ontdekten in de zeventiende eeuw bovendien de geneugten van de Bosporus, de rijkere burgers begonnen overal fraaie, luchtige zomerpaviljoens te bouwen en in de achttiende eeuw veranderden de oevers in één bloeiende rij van wijngaarden, tuinen en boomgaarden. Zo ontstond, althans uiterlijk, een combinatie van droomsteden, de vervulde utopie van beide grote godsdiensten: het Hemelse Jeruzalem van de christenen, schitterend op de heuveltoppen, en de Tuin van Verrukkingen van de moslims, vol bloemen en sprankelend water. De Russische schrijver Ivan Boenin, die in 1903 via de Bosporus op de stad aanvoer, beschreef de dolfijnen die in zwarte cirkels 'door het glanzende marmerblauw' zwommen, de rijen cipressen op de dodenakkers, de bleekroze minaretten van de Aya Sophia, het 'rode schijnsel' van een kromgebogen judasboom in een ravijn en een 'raderpakketboot boordevol fezzen' die zijn schip, terwijl ze voorbijvoeren, 'met warme rook overgoot'. Edmondo de Amicis had het over de lichte herfstnevel, waarin de Gouden Hoorn bij het aanbreken van de dag is gehuld, 'waarachter men de stad vaag waarneemt, als door de witte sluiers die men op een theaterpodium neerlaat om de mechanismen van een spectaculaire scene te verbergen.' En de Griekse dichter Konstandinos Kavakis, die tussen 1882 en 1885 in de stad verbleef, schreef: 'Wanneer de Bosporus zijn gladheid verliest en gaat rimpelen, dan is dat simpelweg omdat hij blij is, omdat hij lacht. Het is een goedhartige god die het geluk van de mensen wil en houdt van een opgewekt humeur.' Een van de interessantste figuren in deze opkomende wereldstad was een bankier uit de Lage Landen. Zijn naam luidde Joseph Nasi, maar door zijn vele vijanden werd hij meestal aangeduid als De Grote Jood. Hij was een van de eerste grote internationale ondernemers uit de geschiedenis en hij schoof geldleningen, legers en koninkrijken over het continent alsof het een schaakbord was. In zijn paleis aan de Bosporus bevonden zich een Hebreeuwse drukpers annex uitgeverij, een synagoge, een Hebreeuwse academie en een legendarische bibliotheek waar het publiek vrij toegang had om manuscripten te bestuderen. Tussen zijn boeken discussieerde hij gretig met priesters, sheiks, rabbijnen en de Franse gezant. In de zalen en tuinen leerde hij de zoon van de sultan de geneugten van de wijn. Joseph Nasi was afkomstig uit Lissabon, maar kort na zijn geboorte was zijn familie door de Spaanse inquisitie verjaagd naar de Lage Landen. Na een studie in Leuven startte hij in Antwerpen een bankiersfirma onder de christelijke naam Juan Miquez. Hij had een aimabel karakter en de familie beschikte over een enorm relatienetwerk, zodat hij al snel tot in de hoogste kringen klandizie kreeg. Toch konden Nasi en de zijnen alleen in Antwerpen blijven als ze zich voordeden als oprechte christenen. Tot tweemaal toe kwam de familie in ernstige problemen omdat men twijfelde aan de oprechtheid van die bekering - in 1544 dreigde de overheid zelfs het familiefortuin van de ‘schijnchristenen’in beslag te nemen. Vandaar dat de Nasi’s besloten om, via een tussenstop in Venetië, te emigreren naar Istanbul. Daar was de religieuze tolerantie aanmerkelijk groter. Hun intocht, in 1554, was vorstelijk. 'Hij is een grote man met een korte baard', schreef de Duitse koopman Hans Dernschwam, en hij had 'meer dan twintig goedgeklede Spaanse dienaren' bij zich. 'Ze behandelen hem alsof hij een prins is. Hijzelf droeg zijden kleren, gegarneerd met sabelbont. Voor hem uit liepen twee lijfwachten van de sultan met trommels, als lakeien te paard, volgens de Turkse gewoonte, zodat hem niets kon overkomen.' Zodra hij zich in de stad gevestigd had liet hij zien wie hij was: een gelovige jood, 'een van Satans familie', zoals een andere waarnemer, de Spaanse auteur Andrés Laguna, schreef.Joseph Nasi was toen ongeveer dertig jaar oud. Al snel werd hij de belangrijkste financier en vertrouweling van de sultan en diens zoon. Vanwege zijn verdiensten kreeg hij het Griekse eiland Naxos, en als extraatje de Palestijnse stad Tiberias en plus omstreken. In een proclamatie aan alle vervolgde joden in West-Europa beloofde hij iedereen die wilde werken als boer of ambachtsman een veilig toevluchtsoord in deze nieuwe joodse kolonie. Vooral op de zoon van de sultan had Nasi zoveel invloed dat de Europese grootmachten graag zijn steun zochten. Hij ontwikkelde zich zo meer en meer tot Europees handelsman annex politicus. In die positie had Nasi ook te maken met de onafhankelijkheidsoorlog die in het verre Nederland losbarstte, en die later de geschiedenis in zou gaan als de Tachtigjarige Oorlog. Toen in 1566 in zijn oude stad Antwerpen de schermutselingen met de Spaanse inquisitie in volle hevigheid losbarstten betuigde hij direct zijn steun aan de protestantse stadsregering, onder leiding van Willem van Oranje. Deze eerste rebellie mislukte al snel, maar voor Willem van Oranje was Nasi's steunbetuiging aanleiding om in 1569 vanuit zijn ballingsoord Dillenburg een verzoek om hulp naar Istanbul te sturen. De prins legde aan Nasi uit dat de Nederlanders van plan waren een grote opstand te beginnen tegen de Spaanse overheersing, en vroeg hem om zijn invloed aan te wenden bij de sultan om van zijn kant ook een openlijke oorlog tegen Spanje te beginnen. Regelmatig vonden al Turkse aanvallen plaats op de Spaanse zuidkust en op sommige eilanden. Op die manier zou de druk van de Spaanse troepen op Nederland aanmerkelijk verminderd kunnen worden. De brief van Willem van Oranje is nooit meer boven water gekomen, maar inderdaad begon de sultan in 1570 een reeks oorlogen tegen Venetië, Spanje en de Pauselijke staat - dit alles vanwege een conflict rond Cyprus. Het staat ook vast dat Nasi, die de Spaanse vervolgingen nooit was vergeten en bovendien koning van Cyprus wilde worden, al zijn overtuigingskracht heeft gebruikt om de sultan zover te krijgen. We weten ook dat aan de Nederlandse kant in 1573 serieus overwogen is om een speciale gezant naar Istanbul te sturen. En het is buiten kijf dat, vanwege de peperdure oorlog in de Levant, de Spanjaarden in Noord Europa voortdurend kampten met geldnood en muiterij. Nooit hebben ze hun volle troepenmacht in kunnen zetten tegen de rebelse Lage Landen. En toen de Nederlandse opstand werkelijk begon, in 1572, kon die mede daardoor overal voet aan de grond krijgen. 'Toevallig', zoals we altijd in de geschiedenisboekjes leerden, was die tweede oorlog tussen Spanje en Turkije vermoedelijk dus niet. Joseph Nasi is nog altijd een mysterieuze figuur, maar hij kan, ik zeg het voorzichtig, vanaf de Bosporus wel eens een vitaal rolletje gespeeld hebben bij het ontstaan van Nederland als natie. Zijn machtspositie hield trouwens niet lang stand. In 1573 werd alweer vrede gesloten, in 1574 overleed de jonge sultan, Nasi's invloed op het hof verdween, en in 1579 stierf hij. Hij was toen amper vijftig, hij had geen kinderen, zijn bezittingen vervielen aan de staat en hij heeft verder niets nagelaten, afgezien van een klein boekje waarin hij probeerde te bewijzen dat de Griekse filosofie uiteindelijk faalde, en niets ging boven wijsheid van de Torah. Waarom vertel ik hier de levensgeschiedenis van deze merkwaardige Joseph Nasi? Omdat zijn verhaal tekenend is voor de duizelingwekkende mogelijkheden die het dynamische en multiculturele Istanbul in die tijd kon bieden. Natuurlijk, na 1453 kreeg de stad direct een nieuwe naam: Islambol, Daar Waar de Islam Overvloedig Bloeit. De Aya Sofia werd tot moskee omgebouwd en na 1517 kreeg de Ottomaanse sultan zelfs de titel van 'Kalief aller Gelovigen'. Met dit alles manifesteerden de nieuwe Ottomaanse heersers zich als ware volgelin-gen van de Profeet. Maar tegelijkertijd noemden ze zichzelf 'wereldveroveraars', en hun stad moest een 'toevluchtsoord van de wereld' worden. Vanuit die geest schiepen ze een imperium dat, zo werd later berekend, twee en zeventig en een halve nationaliteit kende - die halve nationaliteit betrof de zigeuners, waar de bureaucraten nooit raad mee wisten. En dat had zijn weerslag op de stad. Bij een volkstelling in 1477, dus nog geen kwart eeuw na die 'zwartste dag uit de geschiedenis, bleek dat meer dan een derde van de huizen alweer werd bewoond door Grieken, een vijfde door joden en een zevende door andere niet-moslims. Mehmed II, die zichzelf beschouwde als de opvolger van de Byzantijnse keizers, accepteerde ook de daarbij behorende verantwoordelijkheden jegens de orthodoxe kerk. In een handvest garandeerde hij de christenen en joden alle vrijheid van godsdienst - alleen het luiden van kerkklokken was verboden, en voor hun vrijheden moesten ze wel een extra belasting betalen. Nooit werden minderheden, uitzonderlijk in het toenmalige Europa, gedwongen om het heersende geloof te aanvaarden. Met hun tolerantie jegens christenen en andere minderheden en in hun openheid jegens kooplieden en immigranten uit de hele wereld waren de Ottomanen typische erfgenamen van de oude Romeinse keizerlijke traditie. Het was dus van allebei wat, en die houding hielden ze vol tot het begin van de twintigste eeuw. Zijn keurtroepen, de janitsjaren, recruteerde de sultan bewust uit christelijke families. Al vroeg werden de jongens bij hun ouders weggehaald, besneden en bekeerd tot de islam en vervolgens getraind tot de zwaarste militaire taken en de hoogste ambten. De meest getalenteerden kwamen terecht in de paleisschool of in het huis van een van de pasja's, waar ze alles leerden en meemaakten om later de hoogste functies in het imperium te kunnen vervullen. Op die manier schiep sultan een militaire en ambtelijke elite die, losgemaakt van oorspronkelijke banden, enkel aan hem loyaal was. Gaandeweg zou de militaire tak van dit systeem van overheidsslaven, de janitsjaren, zich ontwikkelen tot een gezwel van corruptie en straatterreur, maar in de zestiende eeuw kon een rabbijn nog oprecht aan zijn Westeurope-se geloofsgeno-ten schrijven: 'Hier in het land van de Turken hebben we niets te klagen. (..) Alles is goedkoop, en ieder van ons leeft in vrede en vrijheid. Hier wordt de jood niet gedwongen om een gele ster te dragen, als een teken van schaamte, zoals in Duitsland, waar zelfs rijkdom en grote welvaar een vloek zijn voor een jood omdat hij daarmee de jaloezie opwekt onder de christenen, zodat ze allerlei laster tegen hem verzinnen om hem van zijn goud te beroven. Sta op, mijn broeders, gord uw lendenen, verzamel al uw kracht, en kom naar ons!'
In bepaalde opzichten was het Ottomaanse imperium - net als trouwens het Perzische en het Chinese - een voorloper van de grote hedendaagse overheidsorganisaties, met alle voor- en nadelen van dien. De laatste jaren krijgen wetenschappers eindelijk toegang tot de voortreffelijke Ottomaanse archieven. 'Ze onthullen,' schrijft Fernand Braudel, 'de werking van een veelsoortige, nauwkeurige, geävanceerde en autoritaire bureaucratie, die in staat was een nauwkeurige bevolkingsboekhouding bij te houden, een samenhangend administratief beleid te ontwikkelen, enorme reserves aan goud en zilver te verzamelen, en systematisch de Balkan, het bastion van het imperium tegenover Europa, te koloniseren door er nomaden te laten wonen.(..) Het ljkt allemaal verbazingwekkend modern.'Ook in de stad zelf waren de openbare voorzieningen, volgens de normen van die tijd, uitstekend geregeld. Voor de watervoorziening werd dankbaar gebruik gemaakt van het voortreffelijke Romeinse en Byzantijnse systeem van watertorens en aquaducten, voor voedselvoorziening werden - ook in de Romeinse traditie - permanent grote graanvoorraden aangehouden om in noodsituaties de prijzen laag te houden en mogelijke voedselopstootjes te voorkomen. De Ottomanen bleken uitstekend in staat om zich aan veranderende technieken en omstandigheden aan te passen. Tijdens hun veroveringsoorlogen in de vijftiende eeuw waren ze de Europeanen ver vooruit op het gebied van kanonnen en mijnen, en daarna wisten ze, voor een volk van de steppe, in een verbazingwekkend hoog tempo een uitstekende vloot in de vaart te brengen. Aan de andere kant verstarde die vernieuwing maar al te vaak weer in een koppige rigiditeit - bij hun oorlogen tegen het westen gebruikten ze in de achttiende eeuw nog precies dezelfde taktieken als tweehonderd jaar eerder. De Ottomanen waren nu eenmaal ook buitengewoon gehecht aan tradities en vaste gebruiken, aan rangen en standen, aan rust en orde. De legendarische wreedheid van het regime - soms liep de Groot Vizier persoonlijk de bazars af om de maten en gewichten te controleren, met de beul achter zich om bij onregelmatigheden direct het vonnis te voltrekken - vormde een onlosmakelijk deel van deze zogenaamde Pax Ottomanica. Alle westerse reisverslagen geven daarvan hoog op. Dankzij 'de heilzame huivering van de frekwente executies', schreef de Britse bezoeker Lord Carlemont in 1749, kan een man 'alle uren van de nacht over straat lopen, en er zelfs slapen, met zijn zakken vol geld, zonder de geringste angst en zonder het minste gevaar voor molestatie.' De hele Ottomaanse wereld was, geestelijk en wereldlijk, geordend door middel van strak afgebakende terreinen. Daarbinnen konden regels redelijk soepel worden gehanteerd, maar zodra een van deze grenzen werd overschreden ontstonden grote problemen. De betere huishouding kende strikt gescheiden ruimtes voor publieke en privé-aangelegenheden, voor mannen en vrouwen, voor gasten en familie, voor hogere en lager bedienden, voor oudere en jongere kinderen. De heer des huizes was de baas over alles - maar het gold als hoogst onbehoorlijk als hij zich bemoeide met de gang van zaken op de vrouwenafdeling, dat waren de aangelegenheden van zijn moeder en zijn eerste vrouw. De strikte scheidingen zetten zich voort op straat: de moskee voor religieuze ontmoetingen, het koffiehuis voor seculiere zaken; vaste wandeldagen voor moslimvrouwen, andere vaste wandeldagen voor moslimmannen - met daaraan gekoppeld een streng verbod om briefjes over te brengen; de ene kant van de riviermonding voor het gewone Istanbul, Galata voor de westerlingen; deze buurten voor de moslim, die buurt voor de Griek, daar de jood, verderop de Armeniër. Zo kon een multiculturele stad ontstaan van bevolkingsgroepen die samen werkten en zaken deden, maar die verder gevangen zaten in zijn - of haar- eigen territorium van buurt, huis, familie, sekse, rang en stand. De 19e-eeuwse schrijver en journalist Théophile Gautier hoorde in de straten van deze 'toren van Babel' zeker zeven talen door elkaar spreken: Turks, Grieks, Armeens, Italiaans, Ladino, Frans en Engels. Maar tegelijkertijd konden sommige joodse arbeiders niet meewerken aan de aanleg van de eerste spoorlijnen naar de stad, omdat ze nog altijd een soort Castiliaans spraken: ze wisten zich niet uit te drukken in de taal van de stad waarin ze al driehonderd jaar woonden. De joden hadden trouwens meer last van de Griekse christenen dan van de moslims. Een orthodoxe jood kon zich tijdens de lijdensweek, vlak voor Pasen, beter niet in een Griekse wijk wagen, omdat hij dan kans liep gemolesteerd te worden als 'Judas' of 'moordenaar van Christus'. Beide minderheidsgroepen kregen in de loop der eeuwen steeds meer last van de verloederde janitsjaren die het pesten van christenen en joden beschouwden als een plicht en een genoegen. De steile predikanten kregen vanaf 1630 steeds meer voet aan de grond: dansen, zijde, koffie, tabak, het moest allemaal verboden worden. Net als onder de christenen in Noord-Europa ontstond ook hier een beweging die terug wilde naar het 'pure' geloof. Medina moest het grote voorbeeld worden voor de stad, niet Rome. We zien nog één keer mee met Edmondo de Amicis, tussen de menigte op de brug, in 1878: 'Nog voordat gij u omgedraaid hebt bevindt gij u tussen een groep Perzen, met hunne hooge puntige mutsen van astrakan, en als die voorbij zijn ziet ge een jood voor u in een lang geel gewaad gestoken dat aan de zijden open is; eene heidin met los hangende haren, die een kind in een zak op de rug draagt; een katholiek priester, met zijn stok en gebedenboek, terwijl te midden van een verwarde hoop Turken, Grieken en Armeniërs 'Plaats!' geroepen wordt door een grote eunuch te paard, die voor een turks rijtuig, met bloemen en vogels beschilderd rijdt, waarin de dames van een harem zitten, in het paars en groen gekleed en in grote witte sluiers gehuld; en daarachter een zuster van liefdadigheid uit een hospitaal te Pera, gevolgd door een Afrikaanse slaaf die een aap draagt....'De Amicis zag de bewoners van misschien wel de meest multiculturele stad van Europa aan zich voorbij trekken. Maar tegelijk trof hem, toen al, dat 'al die verschillende mensen elkaar tegenkomen en voorbijlopen,zonder op elkaar te letten', dat hij niemand zag glimlachen, dat al deze mensen en culturen volkomen langs elkaar heenleefden. De tolerantie van de stad bestond uit wegkijken. De omgang met andere werelden, binnen en buiten de stad, was gespeend van iedere nieuwsgierigheid. 'Iedereen moet ons geloof aanvaarden. En iedereen moet een meisje uit Malatya versieren,' luidde het refrein van een oud Ottomaans liedje dat ik ooit hoorde. Vaste gezantschappen in vreemde hoofdsteden hielden de Ottomanen er niet op na, dat vonden ze maar duur en onhandig. Iedereen was welkom, maar het was wel eenrichtingsverkeer. De hoofdstad van de wereld was uiteindelijk enkel en alleen op zichzelf gericht. |
|