Een klein vogeltje met een iel lijf...
Fragment uit De brug (2007).
Istanbul is een klassieke stad, zoals Amsterdam dat was in het midden van de vorige eeuw: de armoede bivakkeert in het oude hart, de middenklasse woont, ring na ring, steeds verder daarbuiten, de rijkdom – en die bestaat hier ook in groten getale – leeft in het groen, op de eilanden of in de luxewijken aan de overkant van de Bosporus.
De stad volgt daarmee een oud patroon. Al vanaf de vroegste tijden waren de heuveltoppen van het oude Constantinopel gereserveerd voor de rijken. Uit hun huizen en paleizen stroomden pis en vuil gestaag naar beneden – de stad kende geen riolen – totdat die uiteindelijk in zee verdwenen. De sociale indeling werd bepaald door diezelfde beweging van boven naar beneden: hoe lager een huis op de heuvel stond, hoe meer afval zich daaromheen verzamelde, hoe nederiger de status van de bewoner was. Wie onder aan de heuvels woonde, verkeerde dus altijd in de stront van de rijken, daar was niets aan te doen.
De brug overspant een brede riviermonding die de twee oudste buurten scheidt, en daarmee ook de twee geesten binnen deze stad: de zuidzijde is behoudend en gericht op het Oosten, de noordelijke kant, met zijn eeuwenoude ambassades en koopmanspaleizen, is doortrokken van de mentaliteit van het Westen en de lichtheid van het moderne leven.
Een geliefde stadsschrijver — we zullen er meer ontmoeten — vergeleek de huizenmassa’s van de twee stadsdelen ooit met ‘de wijd uitgespreide vleugels van een klein vogeltje met een iel lijf ’. Dit beeld klopt nog steeds. De brug is dat kleine lijf tussen die twee enorme vleugels. ‘De brug is klein, piepklein, iel, maar haal je hem weg, dan breken die enorme vleugels aan weerskanten ervan af, dan kunnen ze niet meer bewegen, niet langer de lucht in vliegen!’
Zonder brug kun je de stad vergeten. De brug is trouwens zelf een stad, al moet je je daarop ook niet verkijken, want de brug is niet de stad, en de stad is niet het land, allerminst. De brug is voornamelijk zichzelf, laten we het daarop houden.

Galatabrug, februari 1997. Foto: Hilde van Gurp.