|
De lome zomer van 1914
In 1914 eindigde een periode van internationalisering en liberalisering. Nog nooit waren de markten zo vrij als begin twintigste eeuw. Op oorlog rekenden slechts weinigen. Toen die toch uitbrak, gingen de meeste mensen fris en vrolijk de linies in. Orga heeft later zijn memoires te boek gesteld, en daarin beschrijft hij zijn kamer als hij wakker wordt, vol zeelicht, de ochtendkus van zijn stralende moeder, het «leeuwtje spelen» in het grote, zachte bed van grootvader, hun gezamenlijke wandeling naar het koffiehuis. Er komt een dag dat zijn grootvader wankelt, samen strompelen ze naar huis, de dokter komt, er is opwinding, droefheid, even mag hij zijn grootvader nog zien, voor de rest herinnerde Irfan zich van die dag vooral het wachten in de warme tuin en het koeren van een houtduif. Dat was in het voorjaar van 1914. De laatste gezamenlijke zomer bracht de familie Orga door met oom Ahmed en tante Ayse in het badplaatsje Sariyer, in een huis aan de Bosporus. Oom Ahmed zwom iedere ochtend in zee, en in de koelte van de avond leerde hij Irfan vissen. «Eén keer zag ik een school dolfijnen en keek ademloos hoe ze door de lucht sprongen.» Bij het terugroeien vertelde zijn oom verhalen. Tante Ayse en Irfans moeder dronken koffie onder de magnolia. «Ze zagen er zo fleurig en elegant uit, zoals ze daar op hun chaises longues zaten te kwetteren als mussen, terwijl de zon hun felgekleurde zijden japonnen tot pastelkleuren waste.» Later, als hij in bed lag, hoorde Irfan de volwassenen op de veranda zachtjes praten.
Ogenschijnlijk bleef het daarna een vakantie als alle andere. Irfans vader luierde in de tuin, de kinderen werden steeds bruiner, de dames maakten korte ritjes en deden een paar visites. Het waren gelukkige dagen, en het was zo voorbij. Na de vakantie ging Irfan naar een nieuwe school. Hij ving een andere zin op: «De situatie is ernstig.» De familiezaak werd verkocht. Iedereen begon voorraden in te slaan. Winkels sloten, prijzen stegen. Op straat waren voornamelijk nog vrouwen te zien. De Orga’s verhuisden dat najaar naar een kleiner huis. Kort daarna, op een novemberavond, hoorden ze in de verte het geluid van een trommel die langzaam dichterbij kwam. De familie liep naar de deur. Vader Orga legde zijn arm om Irfans schouder, de jongen drukte zich tegen hem aan. Toen kwam een man om de hoek die met zware slagen op een grote trom sloeg: «Mannen die geboren zijn tussen 1880 en 1885 moeten zich binnen 48 uur in het rekruteringscentrum melden.» Nadat zijn wereld was ingestort schreef Robert Musil in De man zonder eigenschappen een compleet nieuw Habsburg bij elkaar, Kakanië. Een Kakaniër zei: «De weg van de geschiedenis is niet die van een biljartbal, die eenmaal gestoten een bepaalde baan aflegt. Hij lijkt meer op de weg van de wolken.» Het verhaal is overbekend: het Oostenrijks-Hongaarse kroonprinselijke paar dat uitgerekend op Vidov Dan, de belangrijkste Servische herdenkingsdag, een staatsiebezoek aan Sarajevo brengt; de dodelijke schietpartij; de arrestatie van de «terrorist», de negentienjarige Bosnisch-Servische nationalist Gavrilo Princip; de reeks vernederende eisen van Oostenrijk aan Servië; Rusland dat het «broedervolk» Servië steunt in zijn weigering; Duitsland dat zich klakkeloos met Oostenrijk verbindt; Frankrijk dat vasthoudt aan het bondgenootschap met Rusland; Groot-Brittannië dat tevergeefs probeert te bemiddelen; de kettingreactie van mobilisaties die noch de tsaar noch de twee keizers meer kunnen stoppen; het noodlot dat bijna alle Europeanen treft. Binnen een jaar was de wereld van Irfan Orga uit Istanboel vernietigd. Oom Ahmed loste op in de Syrische woestijn. Tante Ayse stierf aan een gebroken hart. Het familiehuis brandde af, inclusief het familiekapitaal. Irfans vader bezweek tijdens de geforceerde marsen naar de Dardanellen, bij de invasie van Gallipoli. Het gezin verviel tot armoede. De kinderen belandden in internaten, Irfan at gras van de honger en zijn moeder gleed af tot krankzinnigheid. Alleen grootmoeder Orga bleef overeind, hard, oud, niet stuk te krijgen.
De Parijse correspondent van De Telegraaf, Alexander Cohen, hoorde op de boulevards de jongens vrolijk tegen elkaar roepen: «Waar ga jij heen?» «Naar Toul... en jij?» «Naar Verdun!» «Dat is leuk — de eerste dag al naar de grens...» En daarna begonnen ze bedaard te praten over het feestje dat ze na hun terugkeer zouden aanrichten, «na de Duitsers een flinke opstopper te hebben verkocht». In Berlijn zag de kunstenares Käthe Kollwitz haar zoons wegtrekken; de een was al in dienst, de ander meldde zich vrijwillig, nadat hij een compagnie had zien wegmarcheren onder «bruisend volksgezang» van alle omstanders: Wacht am Rhein. Ze had het er moeilijk mee, maar haar man Karl zei: «Deze heerlijke jeugd — we moeten hard werken om hen waard te zijn.» ’s Avonds, na het eten, werd in de familie een oorlogs novelle voorgelezen, een man die bij zijn stervende vriend geroepen werd. Daarna werden in de huiskamer liederen gezongen, «oude landsknechtliederen en oorlogsliederen». Ze ging naar de kazerne om haar zoons te zien. «Op de binnenplaats Hans. In uniform. Zijn kindergezicht.»
De Europese socialisten schreven die laatste vredesweek hun bladen vol tegen de oorlog en het militarisme. Er waren massavergaderingen, demonstraties, plannen voor een algemene internationale werkstaking om de oorlog plat te leggen, maar er kwam niets van terecht. Op woensdag 29 juli was de Socialistische Internationale inderhaast in Brussel bijeengekomen, zonder veel resultaat. ’s Avonds stonden de socialistische voorlieden voor een juichende menigte op het podium, een ontroerde Franse leider Jean Jaurès sloeg zijn arm om de Duitse sociaal-democraat Hugo Haase, daarna waren de arbeiders en masse door Brussel getrokken, zwaaiend met witte kaarten waarop «Guerre à la Guerre!» stond, telkens weer opnieuw de Internationale zingend. Twee dagen later, op vrijdagavond, werd Jaurès in Parijs door een nationalist doodgeschoten.
Waarom dan toch ten oorlog? Er waren natuurlijk diepere motieven: het arrogante Britse imperium dat, in de ogen van de Duitsers, de ontplooiing van hun jonge, dynamische land blokkeerde; het opkomende Rusland dat tegengehouden moest worden; de Fransen die revanche wilden na de vernederingen na de Frans-Duitse oorlog van 1870; de Oostenrijkers die wilden afrekenen met Servië; de Russische nationalisten die hun Slavische broeders wilden steunen tegen Oostenrijk; de Britten die niet konden toestaan dat de machtsbalans op het continent door Duitsland verstoord zou worden. Daarbij kwam nog eens de eigen dynamiek van de militaire planning. «De situatie is ernstiger dan ooit, de machine is al in werking gesteld!» riep in juli 1914 Berta von Suttner naar Stefan Zweig, en dat was precies het probleem. Er begon die zomer van 1914 bij alle mogendheden een mechanisme te draaien dat al na enkele dagen niet meer gestopt kon worden: het systeem van de oorlogsplannen, van de enorme draai boeken die in eerdere decennia al waren ontwikkeld en die uiteindelijk zouden fungeren als gigantische aanjagers, als voorspellingen die zichzelf tot werkelijkheid brachten.
«Ik zie nog de weledelgeboren graaf Berchtold op een zomerse dag in 1914, staande in de portiek van een hotel in de Ringstrasse», herinnerde de Weense journalist Max Graf zich later. «Hij had juist de oorlogsverklaring tegen Servië getekend. Nu stond hij hier, slank, ironisch lachend, een sigaret met een gouden mondstuk in zijn goed gemanicuurde vingers, kijkend naar de menigte, converserend met voorbijgangers. Zo betrad de gecultiveerde samenleving van de Ringstrasse de wereldoorlog, die haar grondig ondersteboven zou keren. Ze had lachend en schertsend geleefd, en lachend en schertsend ging ze ten onder.» In Wenen bracht ik een dag door in de Nationale Bibliotheek, in de kelders van de Neue Hofburg. In welke gemoedstoestand keek de gewone man in het Weense café, vanachter zijn koffie en zijn krant, naar deze beginnende wereldoorlog? Had hij op 28 juni 1914 enig idee dat die wilde schoten van Gavrilo Princip het begin vormden van een reeks catastrofale jaren? Later is dat vaak gesuggereerd, maar de leggers van de Neue Freie Presse vertellen een ander verhaal. Ik las ze rustig door, de stadsedities van de maanden juni, juli en augustus 1914, dag na dag. Het werkelijke noodlot is vaak net zo triviaal als het scenario van een rampenfilm. Eerst is er het gewone Weense leven, met roddels, ongelukken en de annonces van de dag: «Feschoform. Wirkt enorm! De echte Wenerin dankt haar stevige boezem slechts aan Feschoform boezembalsem!» De kledingmagazijnen bieden tegen elkaar op in grote advertenties, Germania biedt een levensverzekering «inclusief oorlogsgebeurtenissen en reizen om de wereld», en voor onnoembare zaken wordt aanbevolen: H. Ungers Frauenschutz. Helemaal rustig is het niet rondom de monarchie. De buitenlandpagina’s maken melding van een ernstig Grieks-Turks conflict, er zijn grote problemen met Servië, de kroonprins vertrekt naar een gespannen Bosnië om manoeuvres bij te wonen. De kolommen staan vol berichten over troepenbewegingen, ultimatums en oorlogsschepen die dan hier, dan daar opduiken.
Daarna is er de aankomst van de vorstelijke doden en de staatsbegrafenis. Als alles voorbij is maakt half Wenen zich dagenlang druk over de vraag of ten aanzien van de hoge adel en het leger het protocol wel voldoende in acht is genomen. De stad raakt in een lome vakantiestemming. Warenhuis Lessner vult pagina’s met de uitverkoop van zijdefoulard. Wat zomerse berichten. Keizer Wilhelm II gaat op maandag 6 juli met de Hohenzollern op vakantie. Hij blijft drie weken weg, verscholen in de Noorse fjorden. Zijn stafchef en de onderminister van Marine vertrekken ook uit Berlijn. De Oostenrijkse ministerraad komt pas op dinsdag 7 juli bijeen, tien dagen na de moord in Sarajevo. Pas na 20 juli wordt het onrustig op de pagina’s van de Neue Freie Presse. Rusland gaat zich openlijk met de kwestie bemoeien, er wordt geschreven over «stappen» en «ultimatums», op vrijdag 24 juli wordt gemeld dat de Duitse keizer zijn vakantie wil afbreken en op zondag 26 juli valt, tegelijk met de mobilisatieoproep, voor de eerste maal het woord «oorlog» in de krant. Zelfs de chef-staf van het Servische leger wordt overvallen door de snelheid van de gebeurtenissen. Hij is dat weekend toevallig in Boedapest, op bezoek bij zijn dochter, en wordt prompt door Oostenrijkse rechercheurs gearresteerd. De Neue: «Putnik sprong van zijn stoel, gaf de detective een duw in de borst en trok zijn pistool. Men had de indruk dat hij zichzelf van het leven wilde beroven.» Ondertussen barst de dochter in jammeren uit. Een dag later is de generaal alweer vrijgelaten en met alle egards op de trein gezet, «aangezien het Oostenrijkse leger van te veel ridderlijke gevoelens is vervuld om het vijandelijke leger van zijn hoogste commandant te beroven». In de avondeditie van diezelfde zondag tref ik, ook voor het eerst, een beschouwing over het risico dat de oorlog tussen Oostenrijk en Servië zou kunnen «totaliseren», en over de noodzaak om het conflict «lokaal te houden». Op maandag 27 juli bericht de krant over Britse pogingen om de vrede te herstellen. De onderlinge bondgenootschappen zijn immers helemaal niet zo dwingend als later wel is gesuggereerd. De diplomaten hebben nog flink wat manoeuvreerruimte. Duitsland heeft bijvoorbeeld geen enkele verplichting om Oostenrijk in deze kwestie te hulp te komen. Rusland hoeft Servië niet door dik en dun te steunen. Engeland wordt allerminst gedwongen om vanwege België een oorlog te beginnen. Op dinsdag 28 juli wordt de eerste kaart van het mogelijke oorlogsgebied in de krant afgedrukt. Er circuleren geruchten over een Russische mobilisatie en een mogelijke Duitse tegenmobilisatie. Op woensdag 29 juli publiceert die Neue Freie Presse de oorlogsverklaring van keizer Franz Joseph I aan Servië: «Aan mijn volkeren». Achter de schermen is men nu volop doordrongen van het gevaar van de crisis. Bij de Fransen groeit de angst dat Duitsland zich ook tegen hen zal mobiliseren — een aanval op Rusland geldt immers, op grond van de Frans-Russische conventie van 1892, ook als een aanval op Frankrijk. Donderdag 30 juli: Duitsland en Engeland hopen nog steeds dat ze Oostenrijk en Rusland kunnen overhalen om hun mobilisatie af te blazen. Op vrijdag 31 juli zijn er berichten over een algemene mobilisatie in Rusland, en Duitse ultimatums aan Frankrijk en Rusland. Op zaterdag 1 augustus kopt de ochtendeditie met: «Die Monarchie und das verbündete Deutschland in Waffen». Duitsland mobiliseert zich, met Oostenrijk, tegen Rusland. Frankrijk krijgt een Duits ultimatum: het land moet zich binnen achttien uur neutraal verklaren. Franse mobilisatie «zal onmiddellijk oorlog» betekenen. Op zondag 2 augustus maakt de krant melding van telegrammen tussen keizer Wilhelm en tsaar Nicolaas. De wanhopige teksten zouden pas later bekend worden: «Ik voorzie dat ik zeer binnenkort moet zwichten voor de druk die op me staat, en dat ik gedwongen zal zijn om extreme maatregelen te nemen die tot oorlog zullen leiden. In een poging om zo’n calamiteit als een Europese oorlog te vermijden smeek ik je, in naam van onze oude vriendschap, te doen wat je kunt om je bondgenoten te weerhouden te ver te gaan...» Ondertekend: neef Nicky.
Anderhalf jaar later — wat was de liefde in vredestijd duurzaam! — stond zij reeds, ook zij, midden in de rookwolk, aan het goederenstation II, onophoudelijk schetterde de muziek, wagens knarsten, locomotieven floten, kleine rillende vrouwen hingen als verwelkte kransen aan de groene mannen, de nieuwe uniformen roken naar het appret, we waren een compagnie op mars, reisdoel geheim, met vermoeden: Servië... Haar vader ging nooit meer naar het café, hij lag al in een massagraf.» |
|