|
In Europa - Zeven lessen uit de 20e eeuw
Inleiding bij de opening van Prometheus, het Liberaal Kenniscentrum - Brussel, 8 september 2008
Mijne dames en heren,
Het moet ergens aan het eind van de jaren vijftig zijn geweest dat op een modderig veldje, aan de rand van onze provinciestad, een landje waar we altijd speelden en vochten met de jongens van de school aan de overkant, dat op dit miezerige terreintje opeens mannen verschenen met kijkers, stokken en meetlinten. Al snel hoorden we waarom het ging: hier zou een flat verrijzen van wel twaalf verdiepingen, de hoogste van Friesland, hypermodern, met liften, vuilstortkokers, Amerikaanse keukens, en telefoons om de bakker al bij de buitendeur te woord te staan. Vanaf de bovenste etage zou het uitzicht schitterend zijn: ruimte en weidsheid, zover het oog reikte.Er werd veel over gesproken, en vooral die vuilstortkokers en die deurtelefoons leken ons een ongekende luxe. De huren waren voor de doorsnee Fries onbetaalbaar, maar iedereen was betoverd door de strakke lijnen van het ontwerp, het licht dat door de enorme ramen viel, het comfort dat overal zo vanzelfsprekend aanwezig was. Dat was het leven van de toekomst, dat wisten we zeker. Er kwam nog een andere nieuwigheid: de rest van de modderige veld werd omgetoverd in een enorm gladgeschoren verkeersplein. Ook dat was de toekomst. Het Europaplein - zo heetten in die tijd namelijk alle grote nieuwe pleinen in alle provinciesteden. En natuurlijk heette die flat de Euroflat. Europa, dat was het helemaal, het paste naadloos bij alle andere vanzelfsprekendheden van die veelbelovende jaren, dat Europa, dat blijde, optimistische, herrezen Europa van 1957. Vorig jaar herdachten we dat het verdrag van Rome een halve eeuw bestond. De Europese pioniers van toen zouden hun ogen hebben uitgekeken. De Europese Economische Gemeenschap van de Zes is inmiddels uitgedijd over bijna heel Midden- en Oosteuropa, een Unie van 27 Europese landen. Het is de grootste economie ter wereld, de belangrijkste exporteur, de machtigste investeerder. De gemeenschappelijke munt, de euro, verdringt meer en meer de dollar op de wereldmarkten. We rijden met 120 kilometer per uur over, tot voor kort, fel bevochten en bewaakte grenzen. We kijken er niet eens meer van op. Maar tegelijk is die Euroflat nu een grijs uitgeslagen gevaarte. We weten allemaal hoe dit Europese project geboren is: uit een diepe, gezamenlijke geestdrift van een handvol Europese diplomaten en politici die persoonlijk de zwartste momenten van de 20e eeuw hadden overleefd – slagvelden, bombardementen, honger, concentratiekampen, economische crises –, en die juist daarom de moed vonden om boven zichzelf en hun nationale kleinheid uit te stijgen. En met succes. Terwijl tot 1945 vrijwel iedere Europese generatie wel een bloedige oorlog had gekend en iedere Europese familie – uitgezonderd in gelukkige landen als Zweden, Zwitserland, Nederland en nog zo’n paar, die grotendeels kans zagen om buiten schot te blijven – de wonden daarvan meedroeg, heeft het continent, afgezien van de Joegoslavische oorlogen aan het eind van de vorige eeuw, al meer dan zestig jaar geen oorlog meer gekend. En dat niet alleen. Het is vooral de aard en de kwaliteit van de vrede, die Europa als regio zo bijzonder maakte. En dat heeft alles te maken met de succesformule van de Europese integratie, de manier waarop men kans heeft gezien om op een bovenstatelijke manier het doen en laten van de lidstaten te organiseren. Overal ter wereld zal men in de 21e eeuw op soortgelijke wijze moeten samenwerken wil men de problemen rond de klimaatsverandering en andere mondiale kwesties nog enigszins kunnen hanteren. En Europa loopt daarin voorop, het is al decennia lang het laboratorium waarin die samenwerkingsmethodes - met veel vallen en opstaan, trouwens - worden uitgetest. En tegelijk is die Euroflat nu een mottig bouwsel waaraan we gedachteloos voorbij stappen. De Europese eenwording is daarnaast immers een ongekende beweging op het vlak van democratisering en mensenrechten. De uitbreiding van de Unie blijkt een schoolvoorbeeld van succesvolle 'soft power': nooit is met zo weinig middelen de democratie, welvaart en stabiliteit zo sterk bevorderd in zo'n groot deel van Europa. En nog steeds heeft de Unie een opvallende aantrekkingskracht: iedereen wil erbij horen, natuurlijk om wat de Unie doet, maar vooral om wat ze is. Met het Verdrag van Rome begon ook nog eens het belangrijkste Europese moderniseringsproces sinds Napoleons regime in het begin van de negentiende eeuw. Stel je voor dat we geen euro hadden gehad: onze marken, franken, lire’s en guldens zouden zijn bij iedere monetaire crisis in het rond zijn geblazen. De politiek van gecoördineerd kapitalisme, die nog altijd de toon zet in de Unie, heeft een ongekende kwaliteit van bestaan opgeleverd. Nog altijd kunnen nergens ter wereld doorsnee burgers zo’n hoog inkomen koppelen aan zoveel voorzieningen, en ook nog eens aan zoveel vrije tijd. Willekeurig stadje in Kansas en in Spanje. En toch is Europa een versleten begrip. De keukens van de Euroflat zijn verouderd, de opzienbarende deurtelefoons voor de bakker zijn allang vervangen door beveiligingscamera’s, in een hoekflat hebben zich de eerste a-sociale families gevestigd, een fanatiek stel tweelingbroers terroriseerde onlangs de ooit zo beschaafde huisvergadering en met de achterburen is een forse ruzie uitgebroken over een schutting en een paar kippenhokken. De achttiende eeuwse historicus Edward Gibbon werd ooit gevraagd naar de historische periode waarin mensen het meest gelukkig en voorspoedig leefden. Zonder aarzelen noemde hij het Romeinse Rijk, tijdens de 2e eeuw na Christus. Als hem dezelfde vraag in de 21e eeuw zou worden gesteld, zou hij ongetwijfeld de Europese Unie hebben genoemd, gedurende de laatste helft van de 20e eeuw. En toch die diepe onvrede. Er is rond de eeuwwisseling overal in Europa een duidelijke tegenstroom in nationale richting ontstaan. Met alle gevolgen van dien. Die nationalistische tegenstroom is voor een belangrijk deel veroorzaakt door het gebrek aan legitimatie, maar evenzogoed door de vaagheid en de onbegrensdheid van het Europese project. Onbegrensdheid in de letterlijke zin: waar houdt Europa tenslotte op? Niemand heeft daar op dit moment een duidelijk idee van. Niet toevallig viel decennia lang de omgrenzing van de Europese Unie tijdens de beginfase van de Unie - Zwitserland, Noorwegen en Griekenland uitgezonderd –heel aardig samen met de reikwijdte van het katholieke christendom in de middeleeuwen. Voor een middeleeuwse monnik zou de kaart van de Europese Unie tot en met 2004 redelijk herkenbaar zijn geweest. Maar dat is anders geworden toen de uitbreiding van de EU zich almaar dreigde voort te zetten, toen expansie een eigenschap op zich leek te worden van het Europese project. De Unie, zo dachten veel burgers van de oorspronkelijke landen, veranderde zo gaandeweg in iets dat voor hen volstrekt onherkenbaar zou blijken. Ook die vrees voor het onbestemde zet meer en meer de toon tijdens dit eerste decennium van de eeuw. Daarnaast was er nog eens het fenomeen ‘democratische recessie’, het almaar verder terugtreden van de democratie in de wereld van de 21e eeuw: is dat proces, zo kan men zich over een halve eeuw afvragen, niet ook al ingezet door de EU zelf? Aan de ene kant was er al in het begin van de 21e eeuw een toenemende neiging van de sterkste landen om zich, als dat zo uitkwam, niet aan de regels te houden – de vrijheden die de grote landen zich veroorloofden ten aanzien van het Groei en Stabiliteispact zetten een buitengewoon negatieve toon. Aan de andere kant kon men ook de nodige vragen bij de inhoudelijke kant van al die onderlinge verdragen en regels. Was de unie daarbij ook niet, met het bevorderen van de interne markt, niet te lang en te sterk gericht op het alomvattende dogma van de vrije markt, en te weinig op het bevorderen van sociale cohesie? Heeft het institutionele Europa zich niet teveel overgegeven aan de genadeloze god van het Britse en Amerikaanse marktmodel, en is daarmee niet de dynamiek en de bindende kracht onderschat van het eigen Europese model van gereguleerd en verzacht kapitalisme? En zijn zo niet de Europese burgers massaal teruggejaagd naar de beschutting van de oude nationale waarborgstaten? De omslag van The Economist toonde, na de ‘nee’-referenda van Frankrijk en Nederland, het lijk van de Franse revolutionair Marat in zijn bad, vermoord door burgeres Charlotte Corday: 'The Europe that died. And the one to save.' Zo is het. Maar wat moeten we doen om de Unie te redden? En bovenal: welke lessen moeten we trekken uit de 20e eeuw. Ik wil u er een zevental noemen. Les 1. De boerenmarkt van Dieppe
Onlangs liep ik over de enorme zaterdagmarkt van Dieppe, één groot feest van fruit, groente, boerenkazen, zelfgemaakte worsten en ander heerlijks uit de omgeving. Toch was – en is – deze markt voor een aanzienlijk deel illegaal: volgens de strikte EU-richtlijnen zou een groot aantal van deze boerenproducten niet verkocht mogen worden. Dat is momenteel een probleem voor de boeren en burgers rondom Dieppe. Maar op den duur is deze onwerkelijke situatie vooral een probleem voor de Europese Unie zelf, voor de werkbaarheid, voor de legitimiteit en overtuigingskracht, zelfs voor het voortbestaan.In de Verenigde Staten berusten immers de meest voor de hand liggende federale taken – defensie, buitenlands beleid – direct en duidelijk bij de centrale regering, terwijl in alle andere kwesties de staten een vergaande autonomie hebben. Californië voert dan ook een heel ander milieubeleid dan Texas, en het brood in Vermont mag gerust anders smaken dan in Arkansas. In Europa is het precies omgekeerd. Hier is de afgelopen decennia een gevaarlijke scheefgroei ontstaan: juist op detailgebieden is er een overmaat aan regels gegroeid, terwijl de samenwerking op evident gemeenschappelijke vraagstukken – een gezamenlijke defensie, een eenduidig buitenlands beleid – zich na al die jaren nog altijd in een pril stadium bevindt. Juist de grondslagen van een federale staat – het budgetrecht, de buitenlandse politiek en de militaire macht – liggen in de Europese Unie nog altijd bij de nationale staten. De raketafweersystemen in Polen en Tsjechië, de energiecontracten met Rusland, de houding tegenover Georgië, allemaal duidelijk gemeenschappelijke kwesties, ze worden nog altijd van land tot land anders beslist, de standpunten lopen niet zelden mijlenver uiteen, en die tendens wordt eerder weer sterker dan minder. Voor die wanverhouding, die overmaat aan detailregels in tegenstelling tot beleid waar dat nodig is, betaalt de Europese Unie een hoge prijs: iedere onzinmaatregel ondermijnt namelijk de legitimiteit van de Unie verder, een gestage, stille erosie die op een dag het hele gebouw ineen kan doen storten. Les 2. De staat die niet onze staat is Het Europese legitimiteitsvraagstuk sluimert als een veenbrand, die tekens weer de kop opsteekt, door het hele continent, nu pas weer in Ierland. Ik zei er zonet al wat over, er zijn boekenplanken over volgeschreven, het is duidelijk dat er in formeel-democratisch opzicht nog veel aan de Unie valt te verbeteren, het is ook duidelijk dat de nationale politici van de diverse lidstaten die democratische macht niet gemakkelijk afstaan. Daarbij komt nog eens het feit dat veel Europese burgers zo cynisch zijn geworden dat ze, bij hun proteststem in diverse referenda, ook duidelijke verbeteringen van het democratische systeem hebben afgeschoten. Rond de democratische verdieping van de Europese Unie speelt echter nog een ander vraagstuk, en naar mijn gevoel is dat wellicht zelfs het scharnierpunt van bijna alle discussies: de totaal verschillende manieren waarop de Europese burgers tegen hun staat aankijken, en de volstrekt uiteenlopende verwachtingen op dit punt. Er ligt hier een diepe culturele kloof, die misschien zelfs de andere verschillen rond taal, geschiedenis en religie overstijgt. Het is ook een kloof die door de alle gebeurtenissen van de 20e eeuw veel dieper is geworden, en wijder. Altijd al keek een Italiaan, vanouds gewend aan een vreemde en uitbuitende overheid, op een totaal andere manier aan tegen zijn staat dan, bijvoorbeeld, een Brit, een Zweed of een Nederlander. Die vervreemding is echter veel groter geworden met de toetreding van de ‘postcommunistische’ staten. In die landen is zelfs de rol van de staat nog niet vanzelfsprekend. Maar al teveel overheidshandelen wordt er begroet met ongeloof en paranoïa. Macht, meent men daar, wordt uiteindelijk altijd ‘elders’ uitgeoefend, op plaatsen waarvan een normaal mens geen weet heeft. Werkelijke democratisering van de Unie zal, kortom, gepaard moeten gaan met de ontwikkeling van een nieuw soort burgerschap in grote delen van de Unie, en dat is een langdurig proces. Wij, in het westen, beseffen meestal niet hoeveel Europeanen, na generaties van dictaturen, nog altijd geen idee hebben wat via democratie en politiek bereikt kan worden en wat niet. Er worden direct resultaten verwacht, en als die uitblijven is de bitterheid groot. Opnieuw: voer voor populisten. Zelfs in ons eigen Nederland, een land met een lange democratische traditie en een redelijk stabiele geschiedenis, spelen dit soort problemen. In een lezing, vorig jaar, beschreef de Britse politicoloog Larry Siedentopf de huidige legitimiteitsproblemen van de Unie als een onvermijdelijke overgangsfase. Maar ook als een buitengewoon lastige overgangsfase. Hij verklaarde ze vooral uit het feit dat de Europese burgers zich begonnen te realiseren dat de Europese Unie niet alleen hun belangen raakte, maar meer en meer ook hun identiteit. En ook dat geeft het debat over de Europa een totaal andere toon. Wat is immers Europa precies? Wat is de diepere grondslag van deze Unie? Daarover valt veel te zeggen, en hopelijk is daartoe straks nog alle gelegenheid. Eén ding nu: het kenmerk van Europa is met name de diversiteit van de verschillende natiestaten. Onze gemeenschappelijk kenmerk bestaat, met andere woorden, bovenal uit verschillen. Maar onder die diversiteit liggen, wat onduidelijk misschien, een aantal krachtige gemeenschappelijke culturele onderstromen, gebaseerd op de eenheid waarmee het katholicisme in de middeleeuwen het westen van het continent aaneen bond, en vervolgens de nieuwe eenheid in kennis en waarden die het Klassisisme en de Verlichting boden. En tenslotte de historische banden die zijn ontstaan – vaak gruwelijke, negatieve banden, die voortkwamen uit de rampen van de 20e eeuw – en die daarna een positieve draai kregen in, onder andere, de vrede van de Europese Unie. Les 3. Idealisme maakt blind Mooie woorden, verklaringen en samenscholingen, Europa zoemt ervan. Voor het bedrijfsleven is de afgelopen decennia enorm veel verbeterd. Wie, zoals sommigen, ervoor pleit om de Unie maar weer los te laten, beseft niet wat het herstel van de situatie uit de jaren vijftig alleen al in economisch opzicht teweeg zou brengen. Een land als Nederland zou, als iemand als Wilders zijn zin zou krijgen, binnen een maand failliet zijn. Toch laat het praktische functioneren van de Europese Unie voor de gewone man nog veel te wensen over. Probeer bijvoorbeeld maar eens uit Nederland écht te emigreren naar Frankrijk. Of een auto te exporteren naar Roemenië, zonder een zak vol steekpenningen. Te vaak lijkt binnen de Unie het ideale beeld de werkelijkheid te overschaduwen. Zeker, de Europese Unie is een groot goed, en zo’n project wordt nooit wat zonder de drijvende kracht van een soort idealisme, vaak het idealisme van bureaucraten en technocraten, maar toch idealisme. Dat heeft de Unie altijd gekend, het heeft het project door zware tijden heen geholpen, en tegenwoordig missen we het steeds meer. Want inderdaad, de generatie die nog een Europa zonder deze rijke vrede heeft gekend wordt steeds ouder en verlaat het toneel, en voor degenen die na hun komen is de Unie maar al te vaak even vanzelfsprekend als water uit de kraan – pas als het stopt besef je hoe vitaal het is voor alles en iedereen. Dat idealisme, die mooie woorden van de Europese elite, hebben ook te vaak de grote historische fouten die gemaakt zijn overdekt. In december 2000 miste de Europese top in Nice de allerlaatste mogelijkheid om, in een relatief klein gezelschap, de interne organisatie van de Europese Unie goed in orde te maken voordat de deuren opengingen voor een omvangrijke groep nieuwkomers. ‘Het is twee uur in de ochtend, en ik kan ermee leven,’ zei Gerhard Schröder, toen er eindelijk een zwaar uitgekleed verdrag op tafel lag. ‘Maar dit voorspelt weinig goeds voor de toekomst.’ Hij had gelijk. Nu zwalkt de Unie rond als een schip met zeker twee dozijn stuurlieden op de brug. De massale uitbreiding van 2004 en vooral 2007, hoe noodzakelijk ook, werd bovendien ook nog eens in sterke mate gekenmerkt door trofee-politiek: overhaast, lichtvaardig, zonder veel aandacht voor de grote verschillen van land tot land. Neem bijvoorbeeld Roemenië en Bulgarije: zodra de druk van de toelatingseisen enigszins van de ketel was nam de corruptie weer toe. Transparancy International signaleerde eenzelfde verschijnsel in Letland, Litouwen, Polen en Hongarije. Binnen de nieuwe lidstaten dreigt regelmatig de bitterheid de overhand te krijgen. De verwachtingen waren vaak te hooggespannen, terwijl het werkelijke aanpassingsproces aan de EU generaties kan duren: de jongste schattingen lopen uiteen van een decennium (Estland en Slovenië) tot tachtig jaar (Roemenië). (Bovendien werd de overgang van het communistische naar een min of meer gematigd kapitalisme, zeker in de eerste fase, grotendeels gekenmerkt door een liberale, idealistische, westelijk geöriënteerde elite die het politieke proces strak in de hand hield. De EU lette vooral op de toepassing van het tienduizenden pagina’s dikke pak EU wetten en regels, en nauwelijks op dit nieuwe democratische deficiet.) Het bleek, tenslotte, krachtvoer voor boze nationalisten, en we zullen ze niet snel weg krijgen. In het westen – en trouwens ook elders in Europa – zal de vergrijzing gigantische consequenties hebben voor de vertrouwde sociale zekerheden en de verzorgingsstaten. Hier in België, begrijp ik uit een Brussels rapport, zal rond 2016 al 40 procent van de bevolking boven de 75 onder de armoedegrens leven. Veel andere Europese landen beeld niet veel beter. Die vergrijzing zal ook de traditionele machtsposities binnen Europa doen veranderen. Duitsland, nu met 80 miljoen inwoners het grootste lid van de Unie, kan volgens sommige prognoses aan het eind van de eeuw nog rekenen op hooguit 25 miljoen inwoners – althans, bij ongewijzigd beleid. Zoals de Luxemburgse minister-president Jean Claude Juncker ooit zei – ik citeer uit mijn geheugen: ‘Wij, Europese regeringsleiders, weten allemaal wel wat er zo ongeveer moet gebeuren om de problemen van de 21e eeuw het hoofd te bieden: stroomlijning van de verzorgingsstaten, een stringente milieupolitiek, een slim immigratiebeleid en nog zo wat. Maar we weten niet hoe we daarna nog de verkiezingen kunnen winnen.’ Het is de prijs die we betalen voor te intensieve PR, voor het oproepen van al te overdreven verwachtingen, voor blind idealisme. Les 4. Leve de Republiek Het Europese project was en is tegelijk nauw verweven met het verschijnsel globalisering – en met name door de tegenstanders van de Unie worden beide verschijnselen ook vaak met elkaar verward. Volgens sommigen is echter juist een van de belangrijkste functies van de EU het ordenen en intomen van de chaotische internationale netwerken en machtsconcentraties die de 21e eeuw steeds meer lijken te gaan bepalen. De Brit Robert Cooper, een van de belangrijkste EU-diplomaten, betitelt de EU zelfs als een ‘hoog-ontwikkeld systeem van wederzijdse bemoeienis met elkaars binnenlandse aangelegenheden, tot bier en worsten toe’. De Europese historicus Tony Judt gaat zelfs nog een stap verder: de Unie is in zijn visie ‘het grotendeels onbedoelde product van decennia onderhandelingen door Westeuropese politici die voornamelijk bezig waren om hun nationale belangen te bevorderen of overeind te houden.’ Dat is een deel van het probleem: de Unie is inderdaad één groot netwerk van compromissen, bereikt in duizenden sessies van honderden werkgroepen en comitee’s. Het lijkt België wel – er is voordurend een compromis nodig, maar een teveel aan compromis vergiftigt de democratie. Die Belgische paradox kan ook de EU verlammen. Aan de andere kant: België heeft dit probleem altijd nog kunnen overwinnen, en dat kan ook gelden voor de EU. Het maakt, zo schrijft Judt terecht, de EU in sommige opzichten zelfs interessanter en veel indrukwekkender dan het idealistische beeld van de vooraf ontworpen superstaat dat sommige voor- en tegenstanders koesteren. Het is een compleet nieuw, eigenaardig, historisch proces dat we meemaken. Regelmatig moet ik bij de Europese Unie denken aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de 17e eeuw: een niet eerder vertoonde, onmogelijke constructie die ogenschijnlijk nooit wat kan worden, maar toch, het werkt, het komt tot iets, en het schept langzaam regels en verbanden in een ogenschijnlijke wildernis. Vergeet niet: Van Lennep – Nederland - 1823. Volgens de officiële statistieken sprak in 1863 nog een kwart van de Fransen geen woord Frans, meer dan de helft uitte zich voornamelijk in dialecten en in veel regio’s gebruikte men zelfs nog eigen maten, gewichten en muntsoorten. Toch ging Frankrijk amper een halve eeuw later als één natie de Eerste Wereldoorlog in. Kijk terug naar twintig, dertig jaar geleden. Handelsconflict Japan. Ieder land eigen Midden Oosten -politiek Want, inderdaad, het zijn zo langzamerhand niet meer de instituten, de staatslieden en de naties die de Unie dragen, het is de immense vervlechting tussen bedrijven, steden en mensen, dat langzaam gegroeide vanzelfsprekende Europese bestaan, dat de basis vormt voor de EU. Het is, hoe weinig spectaculair en theatraal vaak ook, naar mijn gevoel het belangrijkste historische proces dat momenteel op het continent plaatsvindt. Les 5. Soft power stroomt ook terug
Toen ik op de Galatabrug in Istanbul werkte vond er een kleine bomaanslag plaats. Koerden, vermoedelijk. Er was weinig schade, het was vooral een kwestie van uren rondhangen voordat we weer overal mochten lopen. Ik raakte in gesprek met een Turkse cameraman, en ik zal nooit vergeten wat hij zei: ‘Jullie hebben geen idee welke krachten hier allemaal spelen. Je moet hier echt heel voorzichtig zijn, het is balanceren op de rand. Maar jullie hebben daarvan geen besef. Met jullie eist om maar alles snel open te gooien en te moderniseren trekken jullie geesten uit de fles waarvan jullie geen weet hebben.’De moderniteit, de vrijheid, de democratie, Europa, het is soms ook een doos van Pandora. Die doos moet open, zeker, maar we moeten wel precies weten wat we doen. En daaraan ontbreekt het te vaak. Dat geldt voor Turkeije, maar net zo goed voor bijvoorbeeld Kosovo. We hebben, als we heel eerlijk zijn, in veel gevallen – de paar specialisten daargelaten – geen idee wat er allemaal precies speelt aan krachtenvelden, hoe sterk of hoe zwak die zijn, en wat de gevolgen van onze goedwillende interventies daarop kunnen zijn. Wat de Amerikanen en de Britten met wapengeweld in Irak onbedoeld losmaakten, kan Europa soms ook aanrichten met onze welwillende soft power. Europa loop in deze kwesties het risico op een Europese variant van zogenaamde 'imperial overstretch'. Door de te snelle modernisering en democratisering die de EU eist kunnen krachten worden losgemaakt die geen mens meer kan beheersen, en waardoor uiteindelijk ook de stabiliteit van de Unie zelf in gevaar komt. Met andere woorden: de Unie kan over een halve eeuw wel eens zijn gekapseisd onder haar eigen pretenties en groeidrift. Soft power stroomt dus ook terug. De Unie beïnvloed niet alleen nieuwe en toekomstige leden, de leden beïnvloeden ook het beleid en het karakter van de Unie. De traditionele Poolse angst voor Rusland speelt nu al meer en meer een rol bij het bepalen van de Europese houding ten opzichten kwesties als Georgië en de Gazprom. Turkije zal, als het ooit toegelaten wordt, naast Duitsland het meest volkrijke en getalsmatig één na machtigste land binnen de Unie zijn. De Turkse sterk nationalistisch georiënteerde politiek zal dan ook besluitvorming EU krachtig gaan beïnvloeden. Terecht, logisch, begrijpelijk, het hoort allemaal bij de ontwikkeling van de Unie. Maar het wordt in het westen wel sterk onderschat. En de vraag is of de Unie al die verschillende invloeden en posities wel allemaal tegelijk nog kan verteren. Les 6. De westerse alliantie is geen zelfmoordbrigade
Binnen mijn krant, NRC/Handelsblad, is het een legende geworden: de botsing tussen de hoofdredactie en de toenmalige chef Buitenland Anton Constandse. We schrijven november 1956. Constandse had er in een commentaar erop gewezen dat, ook al wilden we nog zo graag, het Westen simpel niet in staat was om de opstandige Hongaren in Boedapest met militaire macht te hulp te komen. Dat zo immers waarschijnlijk leiden tot een kernoorlog. Constandse visie werd niet in dank afgenomen, en er ontstond op de krant zelfs een handgemeen. Toch had hij, hoe pijnlijk ook, met zijn realisme het gelijk aan zijn kant, en de titel van het stuk van Constandse zou historisch: ‘De westerse alliantie is geen zelfmoordbrigade.’De ongelukkige Georgië-oorlog in de zomer van 2008 was het gevolg van een van de laatste blunders van de Bush-regering. Reconstructies van de voorgeschiedenis laten zien dat het Georgische bewind vanuit Washington zo werd opgevreeën, dat men daar rare fantasiën kreeg. Als Georgië omwille van een grensconflict rond een mini-staatje een oorlog met Rusland zou beginnen, zouden, zo veronderstelde men, de Amerikanen onmiddellijk te hulp schieten met, bijvoorbeeld, de zesdee vloot en een paar luchtlandingsbrigades. De beloften van de NATO-secretaris-generaal en Bush-vazal Jaap de Hoop Scheffer, dat Georgie nu zeker ooit lid zou kunnen worden van de NATO, maakten het nog erger. In werkelijkheid toonde dit impulsieve mini-oorlogje juist het omgekeerde aan: de NATO kan het risico niet nemen dit land, met deze president, als lid binnen te halen. Je moet er niet aan denken wat er gebeurd zou zijn als Georgië wèl NATO-lid was geweest. Dit is duidelijk: in deze kwestie overheersen de treurige wetmatigheden van het zogenaamde geografische determinisme. En of we willen of niet, daar valt in veel gevallen weinig aan te veranderen. Amerika, en zeker Europa, is nu eenmaal niet oppermachtig. In de Kaukasus wordt Russisch gesproken, misschien een beetje Brussels Frans, maar zeker geen Texaans. Hier heeft Rusland de hegemonie, en de NATO kan en zal daar van z’n leven niet veel aan veranderen. Er was een korte periode, in de jaren negentig, dat het westen Rusland kon behandelen als, pakweg, Albanië. In 1999 konden zo de Baltische staten lid van de NATO worden. Toen al werd door sommige experts gewaarschuwd, o.a. door de befaamde George Kennan: dit gaat repercussies oproepen. Die harde houding van het vernederde Rusland maken we nu mee. In de Georgische kwestie, en bijvoorbeeld ook in de Gazprom-konflicten met Europa, die de komende jaren alleen maar zullen toenemen en die, naar mijn mening, een van de grootste Europese veiligheidsrisico’s voor de komende decennia zullen vormen. Wat moeten we nu doen? Voor het westen in het algemeen geldt simpelweg wat Strobe Talbott, onder Clinton onderminister voor Buitenlandse Zaken, hierover zei: ‘Woede is geen politiek. Zorg is geen politiek. Verontwaardiging is geen politiek. Zelfs nu woede, zorg en verontwaardiging in deze situatie volkomen op hun plaats zijn, moeten ze niet verward worden met politiek, en evenmin met strategisch handelen.’ Als Europeanan kunnen we daarbij nog twee andere lessen trekken. Ten eerste: wij moeten onze verhouding met de USA herzien. De Verenigde Staten hebben in sommige gevallen gewoon andere belangen en andere prioriteiten, en dat moeten we eerlijk onder ogen zien, ondanks alle bondgenootschappelijke verhoudingen. In deze zaak fietsten de Amerikaanse en NATO-politici duidelijk dwars door de Europese belangen heen, en alleen met veel moeite lukte het de Europese politici, onder leiding van de Franse president Sarkozy, om dit brandje weer onder controle te krijgen. Les twee: Europa moet serieus gaan werken aan een eigen beveiliging en een eigen defensie – los van NATO. Deze zomer verscheen een tamelijk bruut rapport van de European Council on Foreign Relations, opgesteld door Nick Witney, de onlangs afgetreden chef van het European Defence Agency. Het beeld dat hij schetst van de Europese defensie, na decennia lange Amerikaanse protectie, is ronduit schokkend. Geld is niet zozeer het probleem: in 2006 namen de Europese landen bijna een kwart van de totale som dat de wereld aan defensieuitgaven besteedt voor hun rekening. Het probleem zijn meer, in de woorden van Witney, de ‘massieve sommen die aan onzin’ worden besteed. Verschillende landen spenderen meer dan driekwart van hun budget aan personeelslasten – wat betekent dat ze omvangrijke legers van grijzende, dikbuikige tandartsen, koks en klerken in stand houden en veel te weinig geld overhouden voor troepen die ze er werkelijk op uit kunnen sturen. Maar liefst 70 procent van de Europese landstrijdkrachten worden niet in staat geacht om buiten het nationale territorium te opereren. ‘Het is een raadsel waarmee ze hun dagen vullen,’ commentarieert Nick Witney. De meeste landen hebben bovendien geen goede uitrusting voor globale operaties. De meeste artillerie heeft, met het oog op de oude Sovjet-dreiging, Finland. Griekenland beweert over de meeste tanks te beschikken. ‘George Bush’, meent Witney, ‘heeft het afgelopen decennium bovendien een fantastisch excuus gegeven aan de Europeanen, of ze nu pro- of anti Amerikaans waren, om hier weinig of niets aan te doen. Niemand had immers veel trek om mee te doen aan zijn expedities in Irak en Afghanistan. Er werd dus ook geen enkele urgentie gevoeld om te vernieuwen. Dat wordt nu echt anders. Les 7. Er is hoop, er is ook radikale hoop Onlangs verscheen een studie over de manier waarop de Crow-indianen de ondergang van hun traditionele cultuur min of meer overleefden. Daarin ontwikkelde de Amerikaanse antropoloog Jonathan Lear het begrip ‘radical hope’. Hoop, schrijft hij, kan alleen bestaan als je onzeker bent over de gewenste uitkomst. Anders is er immers geen sprake van hoop, maar van een redelijke verwachting. Er bestaat echter een nog verdergaande onzekerheid, waarin niet alleen de toekomstige situatie onzeker is, maar ook de hoop zelf niet helder is en voortdurend opnieuw moet worden gedefinieerd. Die diepe en vastberaden hoop op een betere toekomst, en de moed – want dat is het – die dat proces voortdrijft, dwars door alle mist heen, betitelt Jonathan Lear als ‘radical hope’. Het was ‘radical hope’, onder woorden gebracht door hun visionaire opperhoofd Plenty Coups, die de Crows, in tegenstelling tot andere indianenstammen, ertoe bracht om nieuwe wegen in te slaan toen, met het verdwijnen hun oeroude jacht- en strijdcultuur, de context van hun hele bestaan was ingestort. Het was ‘radical hope’ die hen ervan weerhield – en alleen al dat was een enorme prestatie – weg te zakken in wanhoop, drank en apathie. Het was – en is – diezelfde radical hope waaruit, na de ineenstorting van het oude Europa in 1918, 1945, en 1989, het Europese proces, ja, de Europese formule werd geboren. Radicaal, maar tegelijk met diepe, permanent ingebakken onzekerheden. Voor radical hope is een bepaald soort persoonlijke moed nodig. De moed om visionair te zijn, om van de gebaande en populaire paden af te wijken, om slogans en opiniepeilingen in te ruilen voor alle onzekerheden die bij zo’n proces horen. Het opperhoofd Plenty Coups had die moed. Hij durfde onder ogen te zien dat zijn status als krijger geen cent meer waard was en dat hij zijn kinderen naar een universiteit moest sturen. Jean Monnet en de andere Europese pioniers hadden, in de Europese impasse van na de oorlog, diezelfde moed. Voor radical hope is ook geduld nodig. Het duurde tientallen jaren voordat de Crows weer enigszins op de been waren. Met ons, als Europese burgers, is iets soortgelijks gaande. Europa is geen theorie meer, maar dagelijkse realiteit, inderdaad, de vrucht van geduld. Tenslotte: geen radical hope zonder verantwoordelijkheid. Zeker in kleine landen als België en Nederland denken we maar al te graag dat geschiedenis ons overkomt als zon en regen. Soms is dat ook zo, maar soms ook niet, en zeker nu niet, en al helemaal niet als het gaat om de Europese toekomst. Aan die verantwoordelijkheid kunnen we niet ontsnappen door te zwijgen of nietszeggendheden uit te kramen, want ook zwijgen en onbenul zijn daden, keuzes. Dames en heren, Op de jaarlijkse wereldtop in Davos ging het tot voort kort over olie, en over vooruitgang, en soms over armoede, of over oorlog en vrede. Maar sinds een jaar of twee worden er steeds meer vragen aan de orde gesteld als: wat gebeurt er als de vogelgriep werkelijk nog ‘s uitloopt op een wereldwijde pandemie? Of als terroristen vuile nucleaire bommen laten afgaan in een paar belangrijke hoofdsteden? Of als de globale opwarming in een stroomversnelling terechtkomt? Wie neemt dan de leiding? Onder de daar verzamelde wereldleiders heerst in toenemende mate een zorgelijk gevoel dat er, in deze multipolaire wereld, eigenlijk geen enkele coördinerende macht meer bestaat. Ook niet de Verenigde Staten, zeker niet na deze acht jaar Bush. Wat moeten we dan doen? Het nationale model was uitermate geschikt om de vraagstukken van de 18e en 19e eeuw aan te vatten. Maar nu, in de 21e eeuw, komen mondiale problemen op ons af die onmogelijk meer via het natie-model oplosbaar zijn: klimaat, armoede, migratie, epidemiën, noem het maar. Europa heeft wellicht de paar sleutels in handen waarmee deze globale problemen wel aangeval kunnen worden, maar tegelijk lijk het continent te vervallen tot een zachte melancholie. Europa heeft, zo is wel eens gezegd, ‘de vrede uitgevonden’, maar faalt op dit moment om die vrede in realiteit om te zetten. Maar we kunnen het wel. We hebben de ervaring met bovenstatelijke systemen. We hebben de hulpbronnen en de mogelijkheden om een invloedrijke rol in het wereldgebeuren te spelen. En we hebben gezag bij de rest van de wereld – omdat iedereen het succes van het Europese model, ondanks alle problemen, met eigen ogen kan waarnemen. We leven in een fase waarin we moeten zien te redden wat tot voor kort vanzelfsprekend was. Dit wordt een eeuw waarin het zal gaan om onze overleving als mensheid. Dat is, vrees ik, de realiteit die we meer en meer onder ogen moeten zien, en waarnaar we zullen moeten handelen. Ik dank u wel. |
|