|
Europa: de stilte bedriegt
‘We maken ons zorgen over een mogelijk Grieks failliet, en over de ziekmakende competentiegevechten rond de invoering van Lissabon, en zelfs over een eventuele scheuring van de eurozone in een harde noordelijke en een zachte zuidelijk munteenheid, maar het probleem ligt dieper: het Europese project zelf staat zo langzamerhand ter discussie.’
Hoe mooi Europa ook klinkt? Luister maar: het geklater van de fonteinen in Zürich, de golven op de rotsen van Wales, de bedaarde stem van de Big Ben, een straatzanger in Barcelona, de meeuwen van Amsterdam, luister, luister, geen kanonnen vandaag, al een hele poos niet, en geen geroep om brood. Maar meestal verdringen we het, dat we ook nu geschiedenis maken, in ons doen en vooral ook in ons laten, en toch vaak met grote consequenties voor toekomstige generaties. Dat verdringingsproces is maar goed ook, want zonder de rust van onze alledaagse beslommeringen zouden we allemaal gek worden van zorg en zenuwen. De kracht van het gewone leven is gigantisch, dat laat zich niet snel uit de rails duwen, zelfs tegen beter weten in. Die hang naar vastigheid in turbulente tijden heeft ook een keerzijde: hoe ingrijpender de consequenties van nieuwe ontwikkelingen voor ons dagelijks leven zijn, des te sterker is onze neiging om de blik af te wenden. Het liefst blijven we maar doorlopen, als een kip zonder kop, eeuwig in onze vaste paden. Pas na een maand sloeg op de krantenpagina’s de onrust toe. Maar ook toen nog klonk, door al het rampnieuws heen, het ijzeren ritme van de alledaagse advertenties: ‘Feschoform. Werkt enorm! De echte Wenerin dank haar stevige boezem slechts aan Feschoform boezembalsem!’ Ik zal het nooit vergeten, de krant van maandag 3 augustus 1914, de oorlogsverklaring van Duitsland aan Rusland, maar Feschoform ging gewoon door. Dat geldt, bijvoorbeeld, voor Europa en voor de economische crisis die in het najaar van 2008 losbarstte en die nog lang niet voorbij is. Net als bij in die zomermaanden van 1914 lijkt het op een of andere manier tot grote delen van het Europese publiek nog altijd niet door te dringen dat deze crisis, los van alle bezuinigingen en alle geldzorgen van miljoenen en miljoenen Europeanen persoonlijk, ook een keerpunt betekent in de mondiale machtsverhoudingen. Het westen zet niet langer de toon, dat is niet langer vanzelfsprekend. De financiële en economische armslag van Europa en de Verenigde Staten zijn sterk aangetast, en daarmee ook hun macht en vooral ook hun gezag. Deze crisis zal ook een aantal veranderingen op wereldschaal, die al in gang zijn, vermoedelijk versnellen en verhevigen. Denk bijvoorbeeld aan het klimaat, de voedselschaarste en de migratie van arme naar rijke landen. En bovenal verliest het westen met deze catastrofe op een enorme manier aan geloofwaardigheid. Tekenend voor de gewijzigde verhoudingen waren de taferelen die zich tijdens de eindfase van de laatste klimaattop in Kopenhagen voordeden: China, Brazilië, India en Zuid-Afrika smeedden samen in een achteraf kamer een concept-akkoord, de Amerikaanse president moest zich er letterlijk bij dringen, Europa was helemaal nergens en mocht, na afloop, enkel nog in het vakje tekenen. Uiteindelijk strandde het concept-akkoord helemaal, de conferentie liep uit op een debacle, het München van de 21e eeuw. Een soortgelijk wegkijken als die Weners in 1914 deden, vanachter hun koffie en hun krantje, zien we ook in Nederland. En dan wel in het bijzonder rond de laatste kabinetscrisis, de ‘twittercrisis’, want ik zou niet weten hoe deze vertoning anders betiteld kan worden. Wat me in dit verband vooral verbijsterende was de totale afwezigheid, in het hele debat, van de thema’s waar het werkelijk om ging. Want het ging om de situatie in Uruzgan, zeker, maar minstens zozeer om onze verhouding tot de NATO, wat je er verder ook van mag denken, en om de veranderende relatie tussen Europa en de USA, en om het al of niet lukken van de nieuwe Amerikaanse strategie in Afghanisten, en niet in de laatste plaats ook om de gewetensvraag: hoever willen we gaan met onze steun, niet aan Uruzgan, maar aan de herverkiezing van Obama in 2012. Want, eerlijk gezegd, achter de schermen draait het vooral daarom. Maar in de Nederlandse politiek en de Nederlandse media draaide alles, werkelijk alles, een enkele uitzondering daargelaten, om de gemeenteraadsverkiezingen in Akkrum. Ook op het vlak van democratisering en mensenrechten was het Europese experiment, met zijn ‘soft power’ een ongekend succes: nooit werden, met zo weinig middelen, de democratie, welvaart en stabiliteit zo sterk bevorderd in zo’n groot deel van Europa. Ja, we hadden na 1989 de Joegoslavische oorlogen. Maar als je weet met hoeveel geraas imperia ineen plegen te storten, hoeveel oorlogen en ellende de onttakeling van bijvoorbeeld het Spaanse en het Ottomaanse imperium teweeg bracht, dan is het een wonder dat de val van het Sovjet-imperium niet tot veel meer bloed en tranen heeft geleid. Ook dat is voor een aanzienlijk deel te danken aan het werk van de Europese Unie, voor en vooral achter de schermen. En bovenop dit alles fungeerde de Unie in grote delen van Europa als de motor van een moderniseringsproces dat, zelfs in vergelijking met de Napoleontische periode, ongekend is in de Europese geschiedenis. Nergens ter wereld is op dit moment de kwaliteit van bestaan – en daaronder versta ik het geheel van inkomen, vrije tijd, sociale zorg, pensioenen en dergelijke - van de gewone, doorsnee burger zo hoog als in de Europese Unie. Vergelijk een willekeurig stadje in Kansas met een willekeurig plaatsje in Spanje of Polen. Wat is er de afgelopen vier decennia veranderd in Kansas? Niet veel, het is zelfs allemaal wat minder. Wat veranderde er in Polen en Spanje. Ongeveer alles. De Britse historicus Edward Gibbon schrijft in zijn klassieker over de nadagen van het Romeinse Rijk dat de regeerperiode van de beide keizers Antionius wordt gekenmerkt door ‘de zeldzame en waardevolle eigenschap dat ze maar weinig materiaal voor de geschiedschrijving oplevert, die immers niet veel meer is dan een kroniek van de misdaden, dwaasheden en tegenslagen die de mensheid begaat en die haar overkomen.’ Zoiets kan ook worden gezegd over het Europa van de Europese Unie, gedurende de laatste twee decennia. En het systeem bleef in stand, zelfs toen het in het najaar van 2008 begon te stormen. Terwijl de Amerikanen bijna verlamd toekeken, nam de Europese Unie het initiatief tot brede internationale samenwerking. De Unie ging eveneens voorop toen het ging om het redden van het financiële systeem – de Amerikanen volgden schoorvoetend. Het de laatste jaren vaak zo gehoonde Rijnlandse model, de milde continentale kapitalisme-variant, bleek ook in slechte tijden te zorgen voor relatief behoorlijke stabiliteit en een leefbare kwaliteit van bestaan. En, ondanks alle zorgen die we nu hebben over Griekenland, ik moet er niet aan denken wat er zou zijn gebeurd als we geen gezamenlijke euro zouden hebben gehad. Onze guldens, marken, franks en lire’s, ze zouden door de speculanten uiteen zijn gejaagd als doore bladeren in de herfstwind. Maar die zware gemeenschappelijke euro, daar konden ze niet tegenop. Het werkt dus toch, dacht ik in die maanden, dat rare bouwwerk van een paar idealen en duizenden compromissen dat we Europese Unie noemen. Regelmatig moest ik denken aan de geschiedenis van ons eigen land, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de 17e eeuw. Ook dat was een niet eerder vertoonde, onmogelijke constructie die ogenschijnlijk nooit wat kon worden, maar toch, het werkte, het gaf voldoende aangrijpingspunten aan een lange reeks slim improviserende bestuurders om iets op te bouwen, en langzaam waren zo toch allerlei regels en verbanden ontstaan, in een ogenschijnlijke wildernis, het begin van Nederland als natie. En toch werd ik die ochtend, opeens en totaal onverwacht, overvallen door een intense woede. De woede kwam spontaan op, in grote golven van misselijkheid en machteloze drift, een intense kwaadheid die me mezelf nog het meest verbaasde. ‘Is hiervoor eindeloos gedelibereerd en campagne gevoerd, eerst rond de ontwerp-constitutie, daarna rond het verdrag van Lissabon,’ dacht ik. ‘Hebben wij, rare, domme Europese enthousiastelingen, ons hiervoor jarenlang met boeken, artikelen, lezingen, discussies, gesprekken, campagnes, gereis en gezeur het vuur uit de sloffen gesjouwd? Voor deze beschamende vertoning van lulligheid, onmacht en non-democratie?’ Voor mij geen Europa meer’, dat dacht ik ook nog in mijn woede – en ik was niet de enige. ‘Zoek het maar uit!’ Mijn woede had niets te maken met gekrenkte nationale trots. Integendeel, het was om meerdere redenen een opluchting te horen dat onze premier Balkenende, die enige tijd ook tot de favorieten hoorde, niet gekozen was. Ik had ook niets tegen Van Rompuy en Ashton persoonlijk - Van Rompuy kan zelfs nog wel eens een grote verrassing worden. Beiden hebben ongetwijfeld alles in huis om als verwarmingsmonteur en elektricien de pijpen en draden van de Europese compromismachine te onderhouden en zelfs te verbeteren. Wat mij schokte, toch weer, was de manier waarop beiden werden gekozen, en de motivatie waarmee dat gebeurde. Ik weet hoe het gaat in Brussel. Dit was een keuze van de Europese Raad, de vergadering van de nationale leiders van Europa, en die werken nu eenmaal vooral vanuit compromissen tussen staten, inplaats vanuit gemeenschappelijke Europese belangen. Misschien was dit dan ook zelfs, gezien de verhoudingen tussen de Europese machten, de meest haalbare en wijze keuze. Maar vanuit het gewone-mensen-perspektief was deze apotheose van al die jaren constitutie en Lissabon, ik zeg het maar ronduit, een belediging voor de 470 miljoen Europese burgers. Over het menu van diner van de regeringsleiders was alles bekend, we wisten zelfs wat voor toetje er werd geserveerd, maar over de kandidaten en hun visie op Europa wisten we helemaal niets. Het was alsof er, op Europees niveau, sinds het Wener Congres van 1815, niets was veranderd. Daarbij kwamen de motieven. Beide nieuwe functies waren mede gecreëerd om Europa gezichten te geven, figuren waarmee Europese burgers zich min of meer mee kunnen identificeren, en die zijn broodnodig in Europa, mannen en vrouwen waarvan we allemaal vinden: die staan er voor ons. ‘Dit is een historische beslissing,’ dacht ik . ‘De boodschap van deze benoemingen is niet mis te verstaan: een verdere verdieping van het Europese proces kunnen we voorlopig vergeten. Deze generatie nationale politici houdt het wel voor gezien. Die is de lucht van angst en oorlog vergeten, die mist het diepe gevoel van wat, uiteindelijk, op het spel staat. Deze generatie politici heeft eigen ambities, die meestal niet veel verder reiken dan nu en morgen. Die is niet meer trots op wat we, als Europeanen, samen hebben bereikt. Maar tegelijk toonde het ‘nee’ ook aan hoe krachtig het nationale model, en het nationale denken, na al die jaren nog was en is. En ik kan de nee-zeggers van toen in veel opzichten ook geen ongelijk geven. Vaak werden ze afgeschilderd als provinciale nationalisten, en onder de nee-stemmers in Nederland – elders ken ik de verhoudingen minder goed – bevonden zich inderdaad populisten die vooral de elite een lesje wilden leren. Maar ik ken ook talloze oprechte Europese burgers die ‘nee’ stemden, enkel en alleen omdat ze geen voldoende vertrouwen hadden in de Europese alternatieven voor de eigen democratie, de eigen rechtsstaat en de eigen, moeizaam opgebouwde, verzorgingsstaat. Ze hadden geen vertrouwen in de Brusselse praktijk, in de verhouding tussen interventie in nationale kwesties en internationaal beleid, in de keutelige bemoeienis met de ladders van Amsterdamse glazenwassers en de samenstelling van een Frans stokbrood, en tegelijkertijd de Europese onmacht om een gemeenschappelijk beleid te ontwikkelen ten opzichte van, bijvoorbeeld, de nieuwe Russische tsaren. Ze hadden geen vertrouwen in de Europese leiders, die voor hen nauwelijks zichtbaar waren. En evenmin hadden die burgers nog vertrouwen in de identiteit van de Unie, in de trofee-politiek rond de almaar voortdurende uitbreidingen, die maar voort leken te gaan tot landen en regio’s waarin ze, zelfs met de beste wil, niets meer van zichzelf en hun politieke waarden en tradities konden herkennen. Ik hanteer telkens het woord vertrouwen, maar dat is eigenlijk nog te passief. Deze kiezers hadden het idealisme en de fundamentele hoop, waarmee ze ooit het experiment Europa benaderden, verloren. En dat is eigenlijk nog veel erger. Er circuleert op dit moment in Brussel een grap, vol Europese zelfspot. De vroegere Amerikaanse minister Henry Kissinger had altijd geroepen: als ik Europa wil spreken, wie moet ik dan bellen? Welk nummer moet ik dan draaien? Maar nu is er een nummer, dat van een zekere Van Rompuy, en op een namiddag probeert president Obama dat te bellen. Hij vergeet echter het tijdsverschil, en hij krijgt een antwoordapparaat: ‘Goedenavond. U bent verbonden met de Europese Unie, dit is Herman van Rompuy. Wij zijn ’s avonds en ’s nachts gesloten. Kiest u svp uit de volgende mogelijkheden: toets 1 in voor het Franse strandpunt, 2 voor het Duitse, 3 voor het Britse, 4 voor het Poolse, 5 voor het Italiaanse, 6 voor het Roemeense….’ Onze unieke kracht, die altijd lag in het overstijgen van nationale belangen in het licht van het gezamenlijke Europese belang, wordt deze jaren zwaar op de proef gesteld. Het terugvallen op nationale sentimenten en nationale oplossingen is bijna even verleidelijk als de greep van een gestopte roker, in tijden van nood, naar dat ene pakje sigaretten dat nog altijd ergens in een la blijkt te liggen. En tegelijk weten we dat we doodgaan aan roken, en dat ook dit nationale individualisme, op iets langere termijn, onze ondergang zal zijn. Hoe moet ik bijvoorbeeld aan een buitenstaander uitleggen dat wij, ondanks al onze mooie Europese vlaggen, door onze verdeeldheid om de haverklap door Gazprom, de Russische leverancier van 40 procent van onze gasimport, gegijzeld kunnen worden, dat een flink deel van Europa, zodra de Russen iets niet bevalt, in de kou kan komen te zitten, en dat we hier in essentie te maken hebben met een enorm veiligheidsprobleem? Om ’s een andere punt aan te raken: hoe kan ik aan een stel Japanse studenten verklaren dat we wel één munt hebben, de euro, maar tot voor kort te verdeeld waren – misschien komt daar nu verandering in - om een gemeenschappelijk financieel beleid op te zetten – een fundamentele weeffout die vandaag in Griekenland tot enorme problemen leidt, en morgen wellicht in Spanje en Portugal, en overmorgen misschien zelf hier? En daarmee ben ik er nog niet: hoe moet ik de Amerikanen vertellen dat de harde eenvoud van de Koude Oorlog en later de stompzinnigheid van hun Bush-regering ons, Europeanen, in bepaalde opzichten lui hebben gemaakt: we hoefden, als Europeanen, niet écht na te denken over onze veiligheid en over onze positie in de wereld. We konden decennia lang als kleine neefjes achter oom Dagobert aan blijven dribbelen, zonder onszelf echt op wereldniveau te hervinden. Nu zitten we met Europese landstrijdkrachten die, volgens een bruut rapport van de European Council on Foreign Relations, voor maar liefst 70 procent niet in staat geacht worden om buiten het nationale territorium te opereren. ‘Het is een raadsel waarmee deze troepen hun dagen vullen,’ aldus het rapport. En ja, wat heeft het nog voor zin om overal in Europa pepverhalen te houden, als de politici van mijn eigen land, enkel gepreoccupeerd met Akkrum en omstreken, zich gedragen alsof Nederland een veilig eiland is en blijft, een soort Urk in de golven van de geschiedenis? Als die politici nauwelijks of geen aandacht meer hebben voor de internationale gevolgen van de keuzes die ze maken, laat staan dat ze ook die dilemma’s aan hun kiezers duidelijk maken? Bronislaw zit vaak in mijn hoofd, deze weken, met zijn baardje en zijn felblauwe ogen. Hij wist waarover hij het had, een Europa zonder wet en recht, losgeraakt van iedere civil society, die jeugdervaring had zijn leven gevormd en bepaald. Bronislaw hoorde nog tot de generatie – en die generatie komt over heel Europa voor – die aan den lijve ervaren had wat niet-vrede was, niet-gemeenschap. En hij had, zoals zovelen, zijn angsten en zorgen omgezet in activiteit, in verzetsactiviteit en ook in diplomatieke activiteit. En hij maakte zich in toenemende mate zorgen over de manier waarop de Europese Unie zich ontwikkelde. Hij zag het ‘nee’ van Frankrijk en Nederland als het topje van een veel verder strekkende legitimiteitscrisis, en de manier waarop die zou worden afgehandeld zou, in zijn visie, bepalend worden voor de toekomst van Europa en de Unie. ‘We kunnen ons afvragen,’ zei hij tijdens een lezing in Den Haag ‘of het niet juist een gebrek aan wederzijds vertrouwen en gemeenschapsgevoel is, dat aan de wortel ligt van de problemen die de Europese Unie met haar burgers heeft en de problemen die de burgers met de Unie hebben.’ Er kan immers geen sprake zijn van een democratie zonder het gevoel deel uit te maken van een politieke gemeenschap, dat op zijn beurt leidt tot een gevoel van gedeelde verantwoordelijkheid. ‘Enkel een belerend verhaal, over hoe het moet en hoort, het omhoog geheven vingertje dat we nu al zolang kennen, is allang niet meer voldoende. Je moet mensen overtuigen met feiten. En je moet vertrouwen scheppen, en vasthouden.’ Maar met die feiten gaat het, althans in bepaalde opzichten, helemaal niet goed. En evenmin met het vertrouwen. Het afgelopen najaar herdachten we ook de gebeurtenissen van1989, de val van de Berlijnse Muur en al die andere muren die daaraan verbonden waren, het magische jaar waarin Europa opnieuw de wereld verbaasde. Toch, schreef de Britse chroniqueur Timothy Garton Ash – en ik deel zijn mening – kan het toen, in 1989, wel eens de laatste keer zijn geweest – althans voor een heel lange tijd – dat in het oude continent Europa wereldgeschiedenis werd gemaakt. Dat is een goed teken, als we denken aan Edwar Gibbon’s geschiedsopvatting van ‘misdaden, dwaasheden en tegenslagen die de mensheid begaat en die haar overkomen’. Maar het is ook een reden tot grote zorg, omdat de afgelopen tien jaar in Europa wel degelijk geschiedenis geschreven had moeten worden – zij het op een heel andere manier dan waarop Gibbon doelde. Na de val van de Muur hebben de Europese politici de verleiding niet kunnen weerstaan om al hun energie te steken in een snelle uitbreiding van de Unie. Deels was dat onvermijdelijk. Maar daarmee kwam een andere urgentie in de schaduw te staan: de verdieping van de Unie. De Europese Unie is groter geworden, veel groter. Maar minder sterk. En die keuze heeft grote gevolgen. We merken dat nu op een hardhandige manier rond de Griekse crisis: wel een euro, geen gemeenschappelijk financieel beleid; wel expansie, geen versteviging. Maar het gaat verder. Dat is nieuw – twintig jaar geleden zou een dergelijke houding ondenkbaar zijn geweest. Obama denkt duidelijk veel globaler en veel minder Atlantisch dan zijn voorganger. En dat is realistisch ook. Want de wereldverhoudingen veranderen op dit moment snel. En de oude, transatlantische wereld waarin de meesten van ons nog zijn opgegroeid, de wereld van de toestand van mr G.B.J. Hilterman, is, in de woorden van de New York Times commentator Roger Cohen, ‘gone, man, solid gone’. Onlangs verscheen het rapport Global Trends 2025, van de National Intelligence Council, de gecombineerde bevindingen van een groot aantal experts uit Amerikaanse regerings- en inlichtingenkringen en uit de academische wereld. Het is een gedegen weerbericht voor de komende vijftien jaar, ze spreken over ‘relatief zekere ontwikkelingen’, en je wordt er niet vrolijk van. Het internationale systeem zoals wij dat nu kennen, een constructie die min of meer volgde op de Tweede Wereldoorlog, zal, zo schrijven de samenstellers, in 2025 ‘onherkenbaar zijn veranderd’. Een enkele ‘internationale gemeenschap’ zal dan niet meer bestaan. De wereldmacht zal veel meer verdeeld zijn, met allerlei nieuwe spelers die nieuwe spelregels zullen introduceren – inclusief machten die niet meer aan staten zijn gebonden, variërend van internationale organisaties en globale concerns tot criminele groepen en terroristische netwerken. De risico’s op conflicten zullen daarbij sterk toenemen, of het nu gaat om olie, water en andere schaarser wordende grondstoffen. De chaos zal, met andere woorden, eerder groter dan kleiner worden. De rapporteurs raken daarbij een vitaal punt: de zogenaamde ontstatelijking van het internationale systeem. Eeuwenlang, in Europa sinds de Westfaalse vrede van 1648, was de internationale politiek gebaseerd op het zogenaamde staten-paradigma. Dat ging ervan uit dat vrijwel alle internationale problemen – oorlogen, handelskwesties – in wezen problemen tussen staten waren, en ook als zodanig konden worden opgelost. In de 18e en 19e eeuw fungeerde dat systeem goed, tot zelfs in de 20e eeuw. Maar voor de problemen van de 21e eeuw is dit interstatelijke model volstrekt niet meer toereikend. De huidige financiële crisis is een mondiale crisis, het klimaat- en energieprobleem is een mondiaal vraagstuk, honger en epidemieën kunnen enkel op wereldschaal goed worden aangepakt. Zelfs geweld en onveiligheid doorkruisen tegenwoordig alle nationale grenzen: het aantal oorlogen tussen staten is sinds het einde van de Koude Oorlog spectaculair afgenomen. Onze onveiligheid bestaat nu vooral uit internationale criminaliteit, burgerstrijd, terrorisme en sektarisch geweld, Dat alles betekent dat er meer aan de hand is dan enkel een verschuiving tussen machtsblokken. De Nederlandse polemoloog Ko Colijn voorspelt een ‘systeemcrisis’. De Britse historicus Michael Howard, oud president van het International Institute of Strategic Studies, spreekt van een ‘verandering, om niet te zeggen desintegratie van het hele statensysteem’ dat gedurende een tijdperk van ruwweg ruim driehonderd jaar het kader voor de internationale betrekkingen is geweest’. En de Amerikaans-Hongaarse historicus John Lukacs oppert zelfs de gedachte dat de bloedige 20e eeuw wellicht de eindfase is geweest van vijf eeuwen burgerlijke beschaving, van de Verlichte democratische Europese cultuur, en dat we nu, net als aan het eind van de Middeleeuwen, een nieuw historisch breukvlak betreden, met nieuwe ontdekkingen, uitdagingen en problemen, maar ook met een diepgaande verandering in onze kijk op mens, wereld, staat en samenleving. We betreden dus in deze jaren – en waarschijnlijk al met deze economische crisis - een gevaarlijke overgangsfase, en wel de overgang naar een nieuwe ‘multipolaire’ wereldorde – voor zover je trouwens van ‘orde’ kunt spreken. Zeker is dat de sleutelwoorden van de toekomst steeds minder ‘vooruitgang’ en ‘succes’ zullen zijn, en steeds vaker ‘overleving’ en ‘gezamenlijk’. En wellicht ook: ‘redden wat er te redden valt’. Zo’n ingrijpende verandering van het internationale systeem hoeft dus niet uit te lopen op rampen en chaos. Maar het wordt wel dramatisch als de desintegratie van het statensysteem zich zal gaan voltrekken zonder, in de woorden van Ko Colijn, een ‘verdikking van de internationale gemeenschap’. Een verdieping en versteviging waaraan, onverbrekelijk, een vorm van democratisering is gekoppeld, een uitdaging om ook burgers te laten deelnemen aan de global civil society. Zo’n democratische ‘verdikking’ raakt echter wel de kern van het systeem: de soevereiniteit van iedere staat op zich. Het maakt uiteindelijk, schrijft Colijn, de staten niet tot hoofdrolspelers, maar tot dienaren van dat nieuwe systeem. Er waren ons tien jaar gegeven om het Europese schip stormvast te maken, met een evenwichtig verdeelde lading, met heldere verhoudingen op de brug en met passagiers die een basisvertrouwen hadden in het schip en de koers die het voer. We voeren over een relatief rustige zee. Met die kalmte is het nu voorbij. Europa heeft zijn kansen gemist, van Nice tot Lissabon, en veel tijd rest ons niet meer. Er is, ondanks alles, nog altijd reden tot optimisme. De ‘rule of law’ is als principe binnen de Europese Unie nog altijd onbetwist. Geen lidstaat durft een uitspraak van het Europese Hof van Justitie of de Europese Commissie naast zich neer te leggen. Gezamenlijk optreden is, in tegenstelling tot voorheen, in veel gevallen een vanzelfsprekendheid geworden. In noodgevallen blijkt men, ondanks alle verschillen, goed te kunnen improviseren. Het zou me bijvoorbeeld niets verbazen als het Griekse euro-probleem uiteindelijk nog tot iets goeds leidt – namelijk dat hoognoodzakelijke gemeenschappelijke financiële beleid. Het historische experiment van de Europese Unie kan, kortom, met al zijn vallen en opstaan, een voorbeeldfunctie vervullen voor de rest van de wereld. Alleen zal in die toekomstige jungle ons belangrijkste Europese baken niet meer materieel van aard zijn, maar moreel, en zelfs juridisch: de ‘rule of law’, de oppermacht van wet en recht, ook in internationale verhoudingen. Dat kan, met dit perspectief, wel eens de belangrijkste boodschap worden van de Europese Unie voor de rest van de wereld, voor de periode waarin de stem van het westen, nog even, de toon zet. |
|