|
De Eurocrisis - nog een handvol vragen
Tien vragen over de Eurocrisis Waarom zit Europa als verlamd te wachten op de naderende storm? Tot voor kort werd de Europese Unie, ondanks alle problemen, algemeen beschouwd als een buitengewoon succesvol en interessant project, een laboratorium voor de internationale verhoudingen in de 21e eeuw. Maar opeens, binnen een paar maanden, dreigt het hele systeem als een kaartenhuis ineen te storten. Wat is er in hemelsnaam gebeurd? Laten we eerst een paar feiten onder ogen zien. Nog leven we in de nazomer van onze verzorgingsstaten. Maar ook zonder crisis kan Europa de doorsnee bevolking deze hoge kwaliteit van bestaan niet lang meer bieden. Van Polen tot Italië is er een grijze golf in aantocht die een zware last zal leggen op pensioenen, gezondheidszorg en andere sociale verworvenheden. In veel lidstaten vertoont het bestuur, onder een dunne laag van moderniteit, nog sterk archaïsche trekken: patronage en corruptie zijn hier en daar wijd verbreid, en blokkeren iedere vernieuwing. In de rijkere lidstaten zijn teveel mensen zonder noodzaak uit het arbeidsproces weggegleden, ingepakt en verdoofd door het eeuwige infuus van de verzorgingsstaat. Er moeten allerlei aanpassingen plaatsvinden, juist om iets van onze kwaliteit van bestaan te behouden, voor iedereen. Maar wat zal sterker zijn: de neiging om vast te houden aan de verworven voorrechten, of de wijsheid om te investeren in onze toekomst en onze jeugd en daarvoor een prijs te betalen? Dat wordt de grote interne Europese strijd van deze jaren. Een strijd die, althans voor een deel, tussen de generaties zal gaan. Zoals de Luxemburgse premier Jean Claude Juncker ooit zei – ik citeer hem uit mijn herinnering: ‘Wij, Europese politici, weten wel ongeveer wat er moet gebeuren om Europa klaar te maken voor de 21e eeuw: herstructurering van de verzorgingssystemen, aanpassing van de pensioenen, het opzetten van een modern immigratiebeleid… Maar we weten niet hoe we daarna nog de verkiezingen kunnen winnen.’ Er is bovendien in het eerste decennium van de 21e eeuw een duidelijke tegenstroom in nationale richting ontstaan, overal in Europa. Dat is een terugval. Het is, in deze tijden, een vorm van magisch denken, een illusie dat je met nationale oplossingen – waarbij altijd de ander de schuld krijgt – Europese en globale problemen te lijft kunt gaan. Maar er is wel een verklaring voor. Die nieuwe hang naar het nationale heeft, uiteraard, te maken met de onzekere tijden, waardoor mensen sterker hangen aan het oude en vertrouwde. Het heeft ook te maken met het zogenaamde ‘democratische deficit’ van Europa, het feit dat de democratische ontwikkeling van Europa en het Europese publieke debat ver achterloopt bij de groei van de Europese Unie en de hoeveelheid macht die zich nu al in Brussel heeft geconcentreerd. Het gevolg daarvan is dat de politiek en de media nationaal georiënteerd blijven, terwijl de economische en financiële realiteit zich allang op Europees en globaal niveau afspeelt. De magie van de natie als veilige haven wordt daarbij versterkt door de vaagheid en de onbegrensdheid van het Europese project. Onbegrensdheid in de letterlijke zin: waar houdt Europa tenslotte op? Nog steeds heeft niemand daar een duidelijk idee van. Maar ook onbegrensdheid in figuurlijke zin. Welke bevoegdheden moeten bijvoorbeeld nog verder worden overgedragen, enkel om de euro te redden? En aan welke instantie? En hoe houd je daar als burger nog enige grip op? Onze glorieuze Europese Unie is zo voor de doorsnee Europese burger gaandeweg veranderd in een onontwarbare kluwen, een donkere spiegel, vol raadsels. Die nationalistische tegenstroom heeft bovendien alles van doen met het feit dat het Europese project fundamenteel uit balans is geraakt. Juist op detailgebieden is er een overmaat aan regels gegroeid, terwijl de samenwerking op evident gemeenschappelijke vraagstukken – een gezamenlijke defensie, een eenduidig buitenlands beleid, zelfs een collectief financieel beleid – zich na al die jaren nog altijd in een pril stadium bevindt. Juist de grondslagen van een federale staat – het budgetrecht, de buitenlandse politiek en de militaire macht – liggen in de Europese Unie nog altijd bij de nationale staten. Bij de euro zien we de gevolgen van die wanverhouding in extreme vorm: nationale schulden, maar een Europees probleem. Voor die overmaat aan detailregels in tegenstelling tot beleid waar dat nodig is, die vaagheid en onbegrensdheid, voor het democratische tekort, voor dit alles betaalt de Europese Unie sluipenderwijs een hoge prijs: het ondermijnt de legitimiteit van de Unie dag na dag verder, een gestage, stille erosie die op een dag het hele gebouw ineen kan doen storten. En dat alles culmineert nu in de eurocrisis. Al anderhalf jaar lang blijken de belangrijkste Europese leiders niet in staat om gezamenlijk de maatregelen te nemen die nodig zijn. Over zo’n constructief pakket, dat zowel de markten als de burgers weer vertrouwen zou geven, is men het in grote lijnen wel eens: de excessieve schuldenlast van sommige landen moet worden geherstructureerd; de banken die daardoor dreigen om te tuimelen moeten extra kapitaalssteun krijgen; de eurozone moet zich onderwerpen aan een strakke discipline vanuit Frankfurt en Brussel; de schuldenlanden moeten hun economieën saneren, maar daarbij moeten ze wel zoveel lucht krijgen dat ze de weg weer terug kunnen vinden naar een normale kredietwaardige status. En nog zo wat. Vaak lastige en pijnlijke maatregelen ,maar ze scheppen wel helderheid en vertrouwen – ook in een nieuwe toekomst voor de geteisterde landen. En het kan. Zoals de New York Times vanaf de andere zijde van de oceaan terecht concludeerde: ‘Geen enkel land zou zich kunnen permitteren om zo’n oplossing te financieren, maar Europa als geheel zou het wel kunnen. En toch gebeurt het niet. De kracht, en ook de overtuigingskracht, van Europa ‘als geheel’ blijkt te zwak te zijn. Waar komt die verlamming dan vandaan? Omdat de eurocrisis die we nu meemaken niet alleen een technisch probleem is. Het is niet alleen een financiële bosbrand, een crisis van staatsschulden en banken die dreigen om te tuimelen. Het is bovenal een politieke crisis, en een diepgaande vertrouwenscrisis. In de eurocrisis botsen twee werelden, twee paradigma’s zou je kunnen zeggen: de wereld van de markten en de bijbehorende logica, en de wereld van de democratie, van de emoties en van de zorgen van de gewone burger. Het tot nu toe gevoerde beleid valt daarbij op door eenzijdigheid: de banken worden ontzien, ondanks hun medeverantwoordelijkheid voor dit debacle, de vakbonden worden gemangeld, sociale voorzieningen worden gekraakt en vrijwel alle lasten worden uiteindelijk afgewenteld op de gewone man en vrouw, zowel in de kredietverschaffende als de kredietontvangende landen? Is dat eerlijk? En toch: waar kwam het onrealistische idee vandaan dat staten niet failliet kunnen gaan en dat het lenen aan welk euro-land ook in principe risicovrij zou horen te zijn? Waarom wordt nog steeds niet erkend dat Griekenland, Ierland en Portugal hun schulden met de huidige rentevoet nooit zullen kunnen afbetalen, en, zoals dat gaat bij failliete landen, hun schulden moeten herstructureren, waarbij ook de banken een veer zullen moeten laten? Of, laat ik het eens in andere termen stellen, waarom werden de posities die beleggers hebben genomen steevast gehonoreerd en tot het uiterste gegarandeerd? Waarom blijft zelfs nu nog de prioriteit van de Europese leiding liggen bij de bescherming van de banken en de financiële wereld, ten koste van een almaar verder eroderende legitimiteit van het Europese project? Is dit de uitkomst van onze Europese droom? En ondertussen loopt het publieke geduld met het Europese project ten einde. Al bijna tien jaar geleden, in 2000, waarschuwde de Britse historicus Larry Siedentop, voor de grote gevaren van een min of meer federale structuur die te snel van bovenaf over Europa heen wordt gelegd. Er zal dan een oppervlakkige superstaat ontstaan, zo schreef hij in zijn Democracy in Europe, die geen draagvlak vindt bij de bevolking maar die wel op een ingrijpende manier het complexe weefsel van de nationale samenlevingen kan verstoren. Die superstaat en die federale structuur zijn er niet gekomen, maar op een andere manier is zijn voorspelling wel uitgekomen. Er is immers wel een soort supersysteem over Europa gelegd, dat zo langzamerhand diep ingrijpt in het dagelijkse leven van iedereen, dat zelfs vragen oproept over onze identiteit als Europeanen, en dat desondanks geen draagvlak vindt bij de Europese burgers en, sterker nog, daar ook niet naar streeft. Ook daarin vormt deze crisis nu een breekpunt. Als één Europees probleem nog groter is dan de euro, dan is dat het Europese democratische tekort. Dat staat pal voor onze neus, dat groeit maar door, en dat kan het einde betekenen van alle dromen. En de sociale en politieke weerslag van dit alles zal fel zijn, en hevig.
Betalen we nu ook niet de prijs voor het overmatige Europese optimisme van voorgaande generaties? Zeker. Europa is veel te lang voortgedreven op de golven van een optimisme – vermengd met eerlijk idealisme - dat blind was voor alle risico’s. Het zou, zo leerde de geschiedenis, immers uiteindelijk toch altijd weer goed komen. Nooit verliep het proces van de Europese eenwording gladjes: volgens historicus Tony Judt was de Europese Unie zelfs ‘het grotendeels onbedoelde product van decennia onderhandelingen door West-Europese politici die voornamelijk bezig waren om hun nationale belangen te bevorderen of overeind te houden.’ Het samengaan van de Europese landen vond altijd met horten en stoten plaats, voortgedreven door een grote mate van optimisme. Meestal werd er op een gegeven moment een voldongen feit neergezet – bijvoorbeeld een gemeenschappelijke markt, of een euro, of weer een uitbreiding – en dan volgden, zo hoopte men, de nadere regels en de rest vanzelf wel. Dat was het uitgangspunt, en decennia lang werkte die ‘voortgang via voldongen feiten’ goed.
Maar waarom ging het dan rond de euro mis? In de jaren tachtig besefte men dat het zo niet langer ging, en dat een politieke verdieping van de Europese eenheid noodzakelijk was. De val van de Muur doorbrak dat proces: opeens kreeg de hereniging van West- en Oost-Europa alle prioriteit. De organisatorische en politieke verdieping van de Unie, die zou later wel komen. Er ontstond bovendien een zeker triomfalisme: wij kunnen over onze schaduw heen springen, wij scheppen nieuwe geschiedenis. In die sfeer kwam de euro tot stand, een munteenheid zonder de bijbehorende financieel-politieke sturingsmogelijkheden, en zelfs zonder de mogelijkheid voor een deelnemer om de zone weer te verlaten – vrijwillig of gedwongen. Bij de introductie bestond de verwachting dat vrijwel alle landen van de Unie binnen enkele jaren de euro zouden omhelzen - maar het gebeurde niet en de Unie en de eurozone werden verschillende grootheden. Men rekende erop dat de nieuwe Europese constitutie ook voor de euro de noodzakelijke sturingsmechanismen zou bevatten – maar het ontwerp van de constitutie werd afgestemd. Er werd een stevige monetaire discipline toegezegd– maar vanaf het begin werd er gesjoemeld met de toelatingseisen. De rekenaars lieten bijvoorbeeld de enorme Griekse inflatie van de jaren negentig in het jaar 2000 zomaar opeens verdwijnen, wonderbaarlijk. Die discipline zou vooral ook gehandhaafd worden door het Stabiliteits- en Groeipact – maar zodra Duitsland en Frankrijk zelf de normen dreigden te overschrijden werden daarvan de tanden uitgetrokken. Zo ontstond één groot circus van boekhoudkundige goocheltrucs, van Athene en Rome tot Parijs en Berlijn. Die kosten van die oneffenheden zouden, zo meende men, uiteindelijk lang niet opwegen tegen de baten van de euro. Tegelijkertijd werden we in die jaren negentig voor het eerst geconfronteerd met het zogenaamde casino-kapitalisme. Er werd grof geld verdiend met nieuwe producten, vol onduidelijke verwevenheden en risico’s, een groot gevaar voor de stabiliteit van de financiële wereld. Maar de centrale bankiers, vervuld van de laissez-faire filosofie van de vrije markt, grepen niet in. Anders gezegd: de veiligheidssystemen die de financiële wereld vroeger zelf hanteerde functioneerden ook niet meer. Totdat het te laat was, alle problemen tegelijk boven water kwamen en alle alarmseinen op rood vlogen: voor de euro dreigde een ‘perfect storm’. En daar zitten we nu middenin. Wordt vervolgd. Voor het tweede deel: Lees EEN VERSTIJFD CONTINENT II 27 september 2011 Geert Mak |
|