|
Een verstijfd continent II
Na de ‘verlossende’ top: zes nieuwe vragen over de Eurocrisis Is de euro gered, na de top van 26 oktober? Tot voor kort werd de Europese Unie, ondanks alle problemen, algemeen beschouwd als een succesvol en interessant project, een laboratorium voor de internationale verhoudingen in de 21e eeuw. Waar komt toch die verlamming vandaan, die Europa nu al maanden en maanden in haar greep heeft? Wat is er in hemelsnaam gebeurd? Allereerst: de Europese beleidsmakers zijn jaar na jaar in de val gestapt van, wat de Nobelprijswinnaar en psycholoog Daniel Kahneman noemt, de ‘planning fallacy’: de bedrieglijkheid van het fenomeen planning, waarbij politici en andere beleidsmakers telkens weer geneigd zijn om hun mogelijkheden zwaar te overschatten, zeker als het gaat om de wereld van de toekomst te bepalen. Het is de illusie van de maakbaarheid van de geschiedenis. Je kunt best iets doen, als Europees politicus, je kunt ontwikkelingen stimuleren en afremmen, maar je kunt vanuit Brussel niet een complete cultuuromslag organiseren, en zeker niet binnen het tijdsbeslag van enkele maanden. Wij westerlingen, Amerikanen maar ook Europeanen, hebben de laatste decennia een absurd beeld ontwikkeld van de mogelijkheden van onze regeringen en andere instituties. Het gedrag van onze politici heeft daaraan in hoge mate bijgedragen, angstig als ze waren voor boze of teleurgestelde kiezers. Het heeft lang geduurd voordat de regeringsleiders die overmoedige stemming eindelijk openlijk loslieten. Ondertussen zagen we de meest onwaarschijnlijke voornemens passeren. Neem bijvoorbeeld de eis aan Griekenland om binnen ruim een half jaar voor vijftig miljard aan privatiseringen te regelen, of om vele miljarden aan extra belastingen binnen te halen uit een economie die tegelijkertijd – en mede daardoor - bezig was ineen te storten. Zulke eisen, op zo’n korte termijn, waren voor iedereen die de diepte van de Griekse chaos enigszins kende – een nauwelijks functionerend belastingsysteem bijvoorbeeld - gewoon onzin, het waren, onder het naderende noodweer, enkel nog bezweringsformules. En kijk nu weer eens hoe Berlusconi wegkomt met een paar beloften die hij zeker niet houdt. Dat kan nooit goed gaan.
Heeft dat niet ook te maken met de totaal verschillende manieren waarop de Europese burgers tegen hun staat aankijken, en de volstrekt uiteenlopende verwachtingen op dit punt. Of ja, zeker, daar worden we nu ongenadig mee geconfronteerd. Er ligt hier een diepe culturele kloof, die de andere Europese verschillen rond taal, geschiedenis en religie overstijgt. Altijd al keek een Italiaan, vanouds gewend aan een vreemde en uitbuitende overheid, op een totaal andere manier aan tegen zijn staat dan, bijvoorbeeld, een Brit, een Zweed, een Duitser of een Nederlander. Dat geldt voor meerdere Zuid-Europese landen, en, op een andere wijze, voor de ‘postcommunistische’ staten. Macht, zo meent men daar, wordt uiteindelijk altijd ‘elders’ uitgeoefend, op plaatsen waarvan een normaal mens geen weet heeft. De staat is niet van de burgers. Belastingontduiking heeft daar dan ook geen enkele morele betekenis. Dat soort gevoelens hebben een lang verleden, die zijn niet zomaar met een crash-programma van Brussel en het IMF te veranderen. Deze crisis brengt dus niet alleen het grote symbool, de euro, in gevaar, ze raakt ook het hart van het Europese project, de basisfilosofie. Het idee namelijk dat Europa politiek en sociaal zal uitgroeien tot een internationale gemeenschap die, in welke vorm ook, op den duur een soortgelijke bindende kracht heeft als de diverse nationale gemeenschappen. Daar zijn natuurlijk allerlei kanttekeningen bij te maken. Er lopen diverse culturele breuklijnen door de Europese Unie en dat beseft iedereen. Die breuklijnen werden, in de roes van de oorverdovende Europese successen in de jaren negentig, maar al te gemakkelijk genegeerd. Wel speelde de oost-west tegenstelling nog lang een rol, ook bij de creatie van de euro. Maar voor een andere, minstens zo belangrijke breuklijn had men nauwelijks oog: die tussen de gedisciplineerde en ambtelijke Noord-Europese cultuur, en de veel lossere, personalistische zuidelijke cultuur. Ook dat breekt ons nu op. De verhalen over deze Europese crisis zijn, alleen al door dat cultuurverschil, dan ook totaal verschillend. Voor de noordelijke landen is komt het, uiteindelijk, toch neer op de klassieke fabel van de krekel en de mier, met een slotmoraal van schuld en boete: trek de buikriem maar aan, het is jullie straf. In het zuiden erkennen ze volmondig dat Griekenland, met zijn wangedrag, de Europese solidariteit inderdaad gigantische schade heeft berokkend. En ook dat de aan- en vooral afwezigheid van de heer Berlusconi de Italiaanse staat vermoedelijk miljarden heeft gekost. Maar gelden die verwijten bijvoorbeeld ook voor Spanje, een land met een financieel onberispelijke staat van dienst dat voornamelijk door het ineenstorten van de huizenmarkt in zwaar weer terecht is gekomen? “Onze problemen waren allang opgelost als we onze munt hadden kunnen devalueren,’ zeggen onze zuiderburen. ‘Jullie helpen ons helemaal niet zo met jullie kredieten, jullie helpen vooral jullie eigen bankiers. Voor ons is de euro juist het probléém.’ Dat is het zuidelijke verhaal. Daar zit ook wel wat in. Zeker. Want hoe begrijpelijk ook de grommende ergernis van ons noorderlingen is, ons verhaal en onze oplossingen liggen tot nu toe vooral op het vlak van de moraal, van straf en zuivering en nog zo wat. Maar met schuld en boete los je geen monetaire crisis op, en met enkel straffen trek je geen economie uit het moeras. Wij worden misschien wel te veel verblind door onze eigen moraliteit. We vechten, ten diepste, een cultureel conflict uit, en dat ondermijnt steeds verder het vertrouwen in de hele euro, en, uiteindelijk, in het hele Europese project. Dit hele gedoe beschadigt de Europese eenheid wel, op een onvoorstelbare manier. Er is een keerzijde aan dit hele drama, en daarover hoor je vrijwel niemand, vreemd genoeg. Namelijk dat het loslaten van de Europese zuidflank, en het kapot straffen van landen als Griekenland, Portugal en misschien ook wel Italië en Spanje, op langere termijn een onvoorstelbare terugslag zal geven. Niet alleen binnen die landen zelf, maar ook op de rest van Europa. Het kunnen maar al te gemakkelijk bittere landen worden, vol vilein populisme, met een jeugd die geen toekomst meer ziet. Noord-Europa verkeert nog in de luwte omdat het de economische crisis, dankzij onze export, tot nu toe grotendeels kon wegschuiven naar de andere Europese landen. Die worden nu al getroffen door de zwaarste crisis sinds de jaren dertig, en vooral de generatie die nu de volwassen maatschappij binnentreedt zal daarvan de dupe worden. De Groene Amsterdammer legde onlangs de Europese cijfers van Eurostat naast die van de Arabische wereld. Spanje, met een jeugdwerkloosheid van 46 procent – evenveel als in de Palestijnse gebieden. Griekenland, met 39 procent jeugdwerkloosheid – evenveel als in Saoedi Arabië. Ierland, de Baltische staten en Italië rond de 30 procent – evenveel als Tunesië en Syrië. Frankrijk, Polen, Roemenië en Zweden, zo’n 25 procent – evenveel als Egypte. In de Arabische landen nam dit voorjaar een leger van jongeren, woedend over het feit dat hen hun toekomst was ontnomen, bezit van de straat – en vervolgens van de staat. Zoiets kan, op een bepaalde manier, buitengewoon bevrijdend werken, ook in Europa. Er komt ruimte voor nieuwe tijden, nieuwe initiatieven, nieuwe manieren van denken. Maar het kan ook anders gaan. We zullen de komende jaren het begrip ‘soft power’ wellicht in de kast moeten zetten. De hemel verhoede het dat daarvoor een ander woord in de plaats komt: ‘soft war’. Hoe zal het nu verder gaan? De simpelste economische wetmatigheid die ik ken, geformuleerd door de Amerikaan Herb Stein, luidt als volgt: ‘If something cannot go on forever, it will stop’. Juist in een crisis blijkt of een politieke gemeenschap, en de politieke leiders daarvan, nog weten wat ze willen. En of hun zelfbeelden nog corresponderen met de werkelijkheid zoals die zich vandaag de dag voordoet. ‘De uitdaging voor een Europees publiek is om, ook emotioneel, onder ogen te zien dat de realiteit van vandaag op allerlei punten lijnrecht in strijd is met het wereldbeeld waarin iedereen is opgevoed die ouder is dan 25 en jonger dan 75.’ schreef de specialist internationale betrekkingen Karel van Wolferen onlangs. ‘ Een realiteit die mede betekent,’ zo vervolgde hij, ‘dat het politieke wereldbeeld waarin ze sinds hun jeugd geleefd hebben, ineenstort. ‘ Dat herijkingsproces hoeft niet negatief uit te pakken. Er zal zich immers ook een nieuwe realiteit ontwikkelen. Van Wolferen spreekt in die verband over een nieuwe, noodzakelijke emancipatie van Europa. Hij benadrukt bijvoorbeeld het blijvende belang van het Europese voorbeeld van vreedzame en, ondanks alles, succesvolle integratie. Elders in de wereld is de invloed van het historische Europese experiment veel groter dan wij vaak denken – en Van Wolferen kan het weten, want hij brengt al zijn halve leven de meeste tijd door in Azië, en vooral in Japan. Daarbij is echter één ding van essentieel belang: de mentaliteit van waaruit Europa, en de Europese aanvoerders, handelen. Wat was en is onze eigen Europese visie op de wereld, nee, sterker, op het leven? Wat was ons Europees idee van ‘kwaliteit van bestaan’? Welke nieuwe ruimte willen wij geven aan de jeugd, aan de toekomst? En welke ruimte zal die jeugd, wellicht, moeten bevechten?
Wordt vervolgd Voor het derde deel: Lees EEN VERSTIJFD CONTINENT III Voor het eerste deel: Lees EEN VERSTIJFD CONTINENT I
28 oktober 2011 Geert Mak |
|