|
Is er leven na een dode constitutie?
Is er leven na een dode constitutie? van Geert Mak werd op 6 mei 2006 in NRC Handelsblad gepubliceerd.
De Europese constitutie is dood, en het wordt de hoogste tijd voor een begrafenis en een nieuw begin. Laten we de feiten onder ogen zien, hoe pijnlijk ook: de Franse en Nederlandse burgers hebben overduidelijk 'nee' gezegd, onder de Duitse bevolking heerst een navenante stemming, de Britten zijn zo fel tegen dat de zaak niet eens in stemming wordt gebracht, en dan hebben we het alleen nog maar over de westelijke kernstaten. Dat 'nee' was deels gebaseerd op misverstanden: inhoudelijk bevatte de voorgestelde constitutie, wat de positie van de Europese burger betreft, voornamelijk verbeteringen. Deels was het echter ook een uiting van een veel diepere onvrede: veel bewuste Europese burgers stellen terecht de vraag wat ze, na het overdragen van zoveel souvereiniteit aan Brussel, eigenlijk terugkrijgen. En wat er, na al het marktfundamentalisme dat ons vanuit de EU is opgedrongen, eigenlijk nog is overgebleven van het sociale gezicht van de Unie. Niet genoeg dus. Het pak papier dat de kiezers werd voorgelegd - nergens viel ook maar een vonk te bekennen van het Amerikaanse 'We, the people' - was tekenend voor wat de Unie al te lang was: een idealistisch en zeer succesvol, maar tegelijk technocratisch project. Het 'nee' was zo een uiting van een diepe, ondershuidse legitimiteitscrisis die binnen de Unie decennia lang was opgebouwd.Ook in de verhoudingen tussen de lidstaten was het 'nee' niet het begin, maar eerder het eindpunt van een ontwikkeling die al jarenlang gaande was. Met de grote uitbreiding van de Europese Unie op 1 mei 2004 - er kwamen maar liefst tien leden bij - werd de interne eenheid meer dan ooit op de proef gesteld. De leiders van sommige lidstaten zagen de EU nog altijd - en terecht - als een bron van vrede en stabiliteit, vooral op lange termijn. Voor anderen was met name de enorme markt aantrekkelijk. Weer anderen werden gelokt door de enorme Brusselse geldpotten. Voor de nieuwe leden uit het Oostblok was de EU bovendien hét middel om aan de invloedssfeer van de voormalige Sovjet-Unie te ontkomen en definitief over te stappen naar het westen. Op een soort Europese superstaat - met name de Fransen, Duitsers en Italianen droomden van zo'n federatie, met de euro en een nieuwe constitutie als belangrijkste symbolen - zaten ze bepaald niet te wachten. Ze hadden immers nog maar net hun nationale vrijheid hervonden. Voor hen was het Britse, Poolse en Scandinavische model aantrekkelijker, waarbij de EU eerder werd gezien als een vrije economische zone, beheerst door regelingen tussen de verschillende staten, dan als een aparte, samenhangende politieke identiteit. Op 17 juni van datzelfde jaar 2004 liep de eerste topconferentie van de nieuwe Unie dan ook direct uit de hand: de vijfentwintig leden konden zelfs over de persoon van de nieuwe Europese leider nauwelijks tot overeenstemming komen. In een ongekend grimmige stemming werd uiteindelijk de Portugees José Manuel Barosso gekozen, die al direct verklaarde dat hij niet behoorde tot één van die 'naïeve federalisten'. Daarmee was het pleit tussen de 'federalisten' en de 'inter-gouvernementelen' in feite al beslecht. Het 'nee' tegen de constitutie van Frankrijk en Nederland, bijna een jaar later, was de nekslag. Is dat erg? De Europese Unie is een uniek historisch experiment, te vergelijke met de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aan het einde van de zestiende eeuw: zoiets was gewoon nog nooit vertoond. Net zoals de Republiek in de beginfase nog probeerde om de oude systemen te imiteren - er werd bijvoorbeeld nog een poosje druk naar een nieuwe vorst gezocht, die de Nederlanden wilde adopteren - zo leefde binnen de Unie nog lang het ideaal van een federatie als die van de USA. Het wordt echter steeds duidelijker dat de Europese Unie zich ontwikkelt tot een volstrekt eigensoortige identiteit. Die groei naar een eigen vorm moet ruimte krijgen, dat is het belangrijkste. Tegelijkertijd bestaat er een onvermijdelijke spanning tussen uitbreiding enerzijds, en inhoudelijke en democratische verdieping anderzijds. Anders gezegd: hoe omvangrijker de Unie, hoe meer uiteenlopende stemmen er weerklinken, des te dunner wordt de overeenstemming over inhoudelijke kwesties. Dat is een ingewikkeld dilemma, maar daar komen we wel uit. Veel ernstiger is een andere kwestie. De Europese gemeenschap is, ondanks alle tekortkomingen, een van de spectaculairste vredes- en moderniseringsprojecten uit de geschiedenis. Dat succes berust voor een belangrijk deel op een totaal andere benadering van internationale vraagstukken: het denken in nationale conflicten en compromissen is op veel terreinen vervangen door het werken binnen bovennationale verbanden, door het gemeenschappelijk oplossen van problemen, door het 'wij'-denken. Dat is een enorme verworvenheid, die voor de huidige generaties zolangzamerhand even vanzelfsprekend is geworden als het water uit de kraan. Verdun, Duinkerken, Normandië en Monte Cassino zijn weggezakt in de geschiedenis. Zelfs zover weggezakt dat het 'wij-zij'-denken, op allerlei terreinen, alweer snel aan kracht wint. Jean Monnet, de grote voorman van de Europese eenwording, liet zich in de beginfase wel eens ontvallen dat, wat hem betreft, allerlei concrete Europese projecten mochten mislukken, als deze bijzondere Europese filosofie, dit 'wij'-denken, maar in stand zou blijven. En dat is momenteel juist het probleem. De Europese filosofie zelf is, in de nasleep van het het 'nee' van de Europese burgers, in de gevarenzone terechtgekomen. Wat moet er dan nu gebeuren? Er moet allereerst en bovenal een krachtige impuls komen tot een nieuw Verdrag van Rome, waarin nieuwe procedures worden vastgesteld die passen bij een werkelijk democratische Unie van meer dan twintig lidstaten en 460 miljoen burgers, waarin een nieuwe balans wordt geschapen tussen uitbreiding en verdieping, waarin de verhouding tussen gemeenschappelijke en nationale regelingen wordt herzien en waarin meer ruimte wordt geschapen voor rechtstreeks gekozen Europese instituties. Bovendien moet in dat nieuwe verdrag niet alleen rekening worden gehouden met de gemeenschappelijke Europese tradities op democratisch, juridisch en cultureel gebied, maar ook op sociaaleconomisch terrein: het Rheinlandse model, het Scandinavische model, het poldermodel en ga zo maar door. 'Europa' hoeft allerminst volstrekt identiek te worden met 'globalisering', 'vrije markt' en een soort kapitalisme dat is losgeslagen van iedere sociale contekst. Ook dat is een deel van de Europese legitimiteitscrisis. Ook hier kan en moet een nieuwe balans gevonden worden. De afgelopen weken bestormde de Franse jeugd dag na dag de bolwerken van de macht, en daarbij ging het om veel meer dan Franse kwesties: de globalisering van de arbeidsmarkt, de vergrijzing, de lastenverdeling tussen de generaties, de hervorming de verzorgingsstaten, het zijn stuk voor stuk hoogst urgente Europese problemen. Deze lastige overgangsperiode schreeuwt, zoals vaker in de geschiedenis, om leiderschap, om idealisme dat geboren wordt uit realisme. Net als in de jaren vijftig en tachtig zullen niet alleen Europese maar ook nationale politici hierin het voortouw moeten nemen. Het kan hen daartoe aan visie of moed ontbreken, ze blijven die verantwoordelijkheid dragen. In 2004 schreef Geert Mak zijn boek In Europa. |
|