|
En nu: wat gebeurt er in de echte wereld?
Max Kohnstamm en Geert Mak schreven En nu: wat gebeurt er in de echte wereld? in NRC Handelsblad van 3 juni 2006.
In zijn boek Vijf Dagen in Londen beschrijft de Amerikaanse historicus John Lukacs uur na uur een van de meest cruciale momenten uit de twintigste eeuw: de beraadslagingen van de Britse regering, eind mei 1940, over de keuze tussen een wapenstilstand of een verdere oorlog met Hitler. Churchill's overtuigingskracht redde in die dagen het westen. Maar, zo vraagt Lukacs zich af in de slotalinea's van zijn boek, wat betekende Churchill's bijdrage eigenlijk voor het verdere verloop van de geschiedenis? Op zijn best heeft de beschaving dankzij hem kunnen overleven. Op zijn slechtst heeft hij ons in elk geval vijftig jaar respijt gegeven. Vijftig jaar, meent Lukacs, voordat er nieuwe soorten barbarij zullen opkomen, voordat de wolken van een nieuwe Middeleeuwen de levens van onze kinderen en kleinkinderen opnieuw kunnen overschaduwen. 'Vijftig jaar! Vijftig jaar, misschien was dat genoeg.'John Lukacs schetste dit onverwacht apocalyptische doemscenario in 1999, en hij lijkt steeds meer gelijk te krijgen. Het internationale politieke klimaat verslechtert snel - en de huidige turbulentie binnen de Nederlandse politiek is daarvan, hoezeer het land ook in zichzelf is gekeerd, een weerspiegeling. Wat in de Nederlandse situatie al verontrustend is, het opdelen van de samenleving in een 'wij' en 'de anderen', kan op wereldniveau levensgevaarlijk worden. De zogenaamde cartoonrellen, begin dit jaar, lijken alweer vergeten, maar ze hebben een gemeen spoor nagelaten: er zijn ook internationaal nu duidelijk lijnen getrokken tussen een mogelijk 'wij'- en een 'zij'-kamp. De rhetorische aanloop tot een mogelijk militair ingrijpen in Iran is in gang gezet. In een ander deel van de wereld beloofde president George W. Bush, tijdens een recent bezoek aan India, het land alle hulp bij het verder ontwikkelen van een eigen atoomindustrie, al was dat regelrecht in strijd met het non-proliferatieverdrag. In dit voorjaar van 2006 liggen de speelgoedwinkels vol oorlogsspelen en miniatuur-veldslagen, een voortdurende strijd tussen elfen en gedrochten, we kunnen er niet genoeg van krijgen. Het 'wij-zij'-denken is de grote verleiding van deze tijd, nu de droom van maakbaarheid is vervlogen. Het schept een schijnbare orde in een onoverzichtelijke en chaotische wereld. Het geeft richting in een stuurloze situatie. Het biedt de rust van een herkenbaar 'hen' en een veilig 'ons'. Het is, in iedere democratie, het toevluchtsoord voor politici die een gecompliceerd internationaal conflict aan hun kiezers moeten verkopen: zonder stevige vijandbeelden is een democratische bevolking immers nooit bereid tot de offers die een mogelijke oorlog vergt. Het is een verleiding die vaak wordt aangewakkerd door de tegenstander – denk maar aan de weerzinwekkende taal van de Iraanse president Mahmoud Ahamdinejad en zijn soortgenoten. En het is een profetie die, uiteindelijk, uit zichzelf tot werkelijkheid dreigt te komen. In het 'wij-zij' denken wordt alles gepolitiseerd. Niets wordt nog toevertrouwd aan de verzoenende macht van het simpel samenwerken, het samen iets oplossen, het samen aanpakken van een voor beide partijen pijnlijke en lastige kwestie. Nieuwe woorden vinden hun weg in het 'wij-zij' denken: het verachtelijke 'appeasement' - waarmee gedoeld wordt op iedere vorm van verdraagzaamheid, voorzichtigheid en redelijkheid - en het pittig rollende 'confrontatie', dat telkens weer als hoorngeschal tussen de alinea's opduikt. Altijd ligt het kwaad bij de ander. Het 'wij' is alle donkere kanten van het eigen verleden vergeten. Het 'Hitler-syndroom' noemt de Oostenrijkse buitenlandspecialist Eric Frey de grondhouding die, als reactie op het 'München-syndroom' uit de jaren dertig, de omgang met internationale conflicten meer en meer beheerst. Of het nu gaat om Saddam Hoessein, Noord-Korea, Al-Quaida of Iran, maar al te snel vallen termen als 'het kwade' of 'de nieuwe Hitler'. Het is een denkmodel dat in de Verenigde Staten al jaren populair was, maar dat ook elders steeds meer terrein wint. Het Hitler-syndroom kent in wezen geen ander alternatief dan de confrontatie. Alleen, zo vraagt Frey zich terecht af, levert de ervaring met Hitler in de jaren dertig van de vorige eeuw werkelijk de oplossing voor de bedreigingen waarvoor we in de 21e eeuw staan? Was er niet ook een ervaring in 1914, toen juist alles uit de hand liep door een te grote strijdlust? En hebben niet alle internationale conflicten een eigen complexiteit, die een eigen benadering vereist, soms de harde hand, soms de dialoog, in de meeste gevallen een strategie die ergens tussen beiden in ligt? Internationale conflicten zijn nooit en te nimmer wild-westfilms. Wat Amos Oz over het Israëlisch-Palestijnse conflict schrijft, geldt voor veel andere brandhaardenin evenzogoed: 'Het is geen strijd tussen goed en kwaad, maar meer een tragedie in de klassieke en meest strikte betekenis van dat woord: een botsing tussen gelijk en gelijk, een botsing tussen een krachtige, diepgaande en overtuigende aanspraak, en een heel andere, maar niet minder overtuigende, niet minder diepgaande, niet minder menselijke aanspraak.' De titel van zijn hoogst aktuele pamflet spreekt boekdelen: 'Hoe genees je een fanaticus?' Soms bekruipt een krantenlezer het gevoel dat we terug zijn in de jaren vijftig, de jaren waarin een nieuwe, ditmaal koude oorlog ontstond. Er is echter een groot verschil. Toen was de koude oorlog voornamelijk een conflict tussen twee partijen, terwijl nu meerdere grotere en kleinere spelers een eigenzinnige rol vervullen: China, Japan, India, Noord-Korea, Iran, Rusland, de landen van het Midden-Oosten, en ga zo maar door. Dat maakt het ontstaan van een machtsevenwicht - en daarmee een zekere internationale rust - tot een hersenschim. Soms ook doet de stemming denken aan de jaren dertig - inclusief de typisch Nederlandse onwil om de ernst van de internationale situatie onder ogen te zien. Wat de huidige situatie echter gevaarlijker maakt is de rol van de Verenigde Staten. Al vanaf 1939 manifesteerde president Roosevelt zich in woord en daad als een tegenstander van Hitlers internationale aspiraties. Amerika fungeerde, toen al, als een enorme reservespeler op de achtergrond, een bodem van rust. Op dit moment is het omgekeerde het geval. Nu is de reservespeler zélf een probleem geworden, een bron van instabiliteit. De internationale toestand is, kortom, op zijn hoogst enigszins te vergelijken met de gespannen en tegelijk ondoorzichtige situatie voorafgaande aan de Eerste Wereldoorlog. Al gaan vergelijkingen, zeker op dit vlak, gegarandeerd altijd mank. De grootmachten van toen - Duitsland, Oostenrijk, Rusland, Frankrijk en Engeland - probeerden immers in 1914 nog via een systeem van allianties om een zeker evenwicht in stand te houden, zonder hun autonomie te verliezen. Zulke machtsbalansen hebben altijd te neiging om ineen te storten - mijn veiligheid is immers jouw onveiligheid - en dat gebeurde dan ook. Eén ernstig incident - de moord op de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand in Sarajevo - bracht een kettingreactie van mobilisaties en oorlogsverklaringen in gang die niemand meer kon beheersen. Na de Eerste Wereldoorlog besefte men dat de enige manier om een herhaling van zo'n situatie te voorkomen het 'wij'-model was. De internationale spanningen waarmee men te kampen had werden algemeen beschouwd als wereldproblemen. Men kwam alleen niet tot een oplossing omdat de meeste internationale organisaties - de Volkenbond voorop - daarvoor nog te zwak waren. Opnieuw kwam de oorlog. Na de Tweede Wereldoorlog ging het anders, vooral in het eeuwig verdeelde Europa. De grote kracht van de Europese Unie ligt in het feit dat er nu wél bovennationale structuren bestaan die, ondanks alle problemen, op hun terrein wel degelijk functioneren, en dat al ruim een halve eeuw lang. We leven nu in de meimaand van 2006, we hebben die vijftig jaar van Churchill allang opgesoupeerd, en de wereld gonst van de geruchten over een mogelijke aanval op Iran. Een Amerikaanse, of, eventueel, een Israëlische. De meeste strategische analisten menen dat zo'n, al of niet beperkte, bommenoorlog in deze instabiele wereldsituatie ongekende krachten zou kunnen losmaken - nog los van de geringe militaire effecten. Niets verstevigt bovendien de positie van een moslim-extremistische regering meer dan openlijke oorlogstaal van een Amerikaanse regering. 'Een aanval op Iran zou een daad van politieke dwaasheid zijn, waardoor er een almaar toenemende chaos in de wereldpolitiek in gang kan worden gezet,' waarschuwde de voormalige Amerikaanse adviseur voor Nationale Veiligheid, Zbigniew Brzezinkski, enkele weken geleden in de International Herald Tribune. 'Amerika zal het doelwit worden van almaar toenemende vijandschap, het tijdperk van het Amerikaanse machtsoverwicht kan tot een voortijding einde komen.' Zal die aanval dus niet plaatsvinden? Dat is nog maar de vraag. President Bush negeerde soortgelijke waarschuwingen, inclusief die van zijn eigen vader, over de enorme risico's die verbonden waren aan een inval in Irak. Een bijzondere rol speelt bovendien de Amerikaanse binnenlandse politiek. Een spectaculaire militaire aanval, gedaan op het juiste moment, kan immers de tussentijdse verkiezingen in november overschaduwen en het politieke proces in een richting ombuigen die gunstiger is voor de huidige regering. De onthullingen van de journalistieke veteraan Seymour Hersh, vorige maand in The New Yorker, kwamen dan ook niet uit de lucht vallen. Hersh suggereerde dat men in regeringskringen ervan uitging dat met een reeks bombardementen wellicht een gunstige regime-wisseling in Iran teweeggebracht kon worden, en dat daarbij het gebruik van tactische kernwapens niet kon worden uitgesloten. In het debat over Iran, dat inmiddels in volle gang is, mengde zich ook de voormalige minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright. Haar motto: 'Goed versus slecht is geen strategie.' Ze verweet de voorstanders van militair ingrijpen in Iran dat ze enkel nog denken in termen van 'goed' en 'kwaad' waarbij het kwade maar één gezicht heeft: de militante, fundamentalistische moslim. Daarmee versimpelen ze Al Qaeda, Saddam Hoessein's Irak en de kwestie Iran tot onderdelen van één en hetzelfde probleem. Daarmee vergeten ze dat, bijvoorbeeld, Iran en Irak - de laatste nota bene gesteund door de Verenigde Staten - nog in 1980 onderling een oorlog uitvochten waarin naar schatting een miljoen doden vielen. En dat Saddam Hoessein - die zowel Sunnitische als Shiitische religieuze leiders vervolgde - en Osama bin Laden een diepe afkeer jegens elkaar koesterden. En dat de huidige, door George W. Bush luid toegejuichte Irakese leiders, merendeels op de hand zijn van Iran. Het 'wij - zij' patroon laat echter geen enkele ruimte nuance. Vrijwel niets hoor je over de chemische oorlogsproducten, die overal kunnen worden vervaardigd, en die zolangzamerhand een bijna net zo grote bedreiging kunnen vormen als de primitieve atoomwapens die Iran probeert te ontwikkelen. Geen minuut vragen we ons af of het, op zijn zachtst gezegd, niet een beetje vreemd is om een land als India alle hulp te bieden het ontwikkelen van een kernwapen en tegelijk Iran als een satansland te verketteren als het iets soortgelijks probeert. Als het non-proliferatieverdrag - waarop eerst Irak en nu Iran voortdurend worden afgerekend - al niet een dode letter was, dan was het recente bezoek van George W. Bush aan India de definitieve nekslag voor alle idealen die dit verdrag ooit weerspiegelden. En de kans om in zo'n situatie de vrede te bewaren wordt wel heel klein. Meten met twee maten ondermijnt immers niet alleen het gezag van een wereldmacht, het betekent op den duur ook de ondergang van onze toch al broze wereldorde. Het is, anders gezegd, een terugval van het denken in internationale verdragen, instituties en gemeenschappen naar het vooroorlogse denken in allianties. Het bewust zoeken naar een machtsevenwicht, de zogenaamde 'balance of power', was decennia lang een beproefde methode om oorlogen te voorkomen. Ieder machtsevenwicht heeft echter altijd de neiging om uit balans te raken, omdat iedere partij altijd iets sterker probeert te zijn dan de andere. In een gemeenschap geeft iedereen een stuk vrijheid en souvereiniteit op, omwille van het gemeenschappelijke doel. In een alliantie doet iedereen uiteindelijk wat-ie zelf wil, om maar zoveel mogelijk zekerheid te krijgen. De grondformule van een alliantie komt dus altijd weer op hetzelfde neer: mijn veiligheid is jouw onveiligheid. Met alle gevolgen van dien. Een soortgelijke onttakeling vreet ook aan de Europese Unie. Op dit moment hapert niet alleen het Europese proces - dat zijn we wel gewend. Het is nu de Europese filosofie zelf die in de gevarenzone verkeert: het denken in bovennationale verbanden, het gemeenschappelijk oplossen van problemen, het 'wij'-denken. En dat is nog niet het allerergste. Het ergste is dat we, na twee wereldoorlogen, eindelijk in staat leken te zijn een bepaalde internationale orde vast te leggen en te verankeren. En dat we die verworvenheid nu alsnog dreigen te verspelen. Er is zo langzamerhand geen probleem dat geen wereldprobleem is: grondstoffen, klimaat, armoede, epidemiën, vluchtelingen, milieu, oorlog. In technisch opzicht vormt de wereld zo een steeds grotere eenheid, in politiek opzicht neemt de verdeeldheid almaar toe. Terwijl het woord 'wij' luider dan ooit moet weerklinken, horen we steeds vaker de 'wij-zij' tegenstelling. En 'wij-zij', dat is een typische oorlogsformule. De doctrine van de huidige Amerikaanse regering luidt: een hypermacht als de USA kan en moet ten allen tijde de werkelijkheid met militaire macht kunnen bepalen. Maar is dat nog zo? De revolutie van de militaire macht voltrekt zich immers voor onze ogen. Niet alleen de staat privatiseert en individualiseert, ook de oorlog. Meer en meer wordt er individueel gevochten, met brute en primitieve methoden die desondanks buitengewoon effectief kunnen zijn. Het terrorisme, hoe verwerpelijk ook, is een logische reactie op een verpletterende militaire overmacht. Tegelijk is het een reactie waartegen klassiek georganiseerde legers en staten zich nauwelijks kunnen verweren. Het ziet er dan ook naar uit dat deze gruwelijke vorm van oorlogs-individualisering de 21e eeuw langer zal beheersen dan ons lief is. Als er één grondregel bestaat in de internationale politiek, dan is het deze: als er een te groot machtsverschil bestaat tussen de ene partij en de andere, wordt dat op de een of andere manier vroeger of later altijd gecompenseerd - met het afknijpen van geld- of energiestromen bijvoorbeeld, maar als het moet ook met zelfmoord en terrorisme. In deze situatie is er maar één oplossing: herdefinieer het conflict als een gemeenschappelijk probleem, en zoek vandaar een uitweg. Dat betekent, allereerst, dat we ons proberen voor te stellen hoe het er in het hoofd van de ander uitziet. Waarom is, bijvoorbeeld, de gevaarlijkste confrontatie tussen de twee supermachten tijdens de Koude Oorlog, de Cuba-crisis, toch afgelopen zonder dat een catastrofe plaatsvond? Dat is voor een belangrijk deel te danken aan het feit dat een voormalige Amerikaanse ambassadeur in Moskou aan het crisisberaad deelnam, een diplomaat die redelijk kon inschatten wat er omging in de hoofden van de tegenstanders. Hij wist Kennedy en de zijnen ervan te overtuigen dat ook hun tegenspeler Chroesjtsjov een groot probleem had: zijn Politbureau. Er moest dus een oplossing geboden worden waarin Chroesjtsjov een eervolle aftocht werd geboden. En zulks geschiedde. Laten we nu eens, voorzover mogelijk, iets soortgelijks doen met de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken. Hij maakt deel uit van een regime waar de honden geen brood van lusten, maar in deze kwestie wordt zijn logica uiteindelijk niet bepaald door 'het kwade' of 'het fundamentalisme' van welke aard ook. Het zijn, onder alle retoriek, de wetmatigheden van de internationale machtsverhoudingen die een doorslaggevende rol spelen: de uiterst risicovolle omgeving, andere naties die hetzelfde proberen, een non-proliferatieverdrag dat geen bescherming meer biedt. Daar liggen de problemen, en mogelijk ook de antwoorden. Het is niet toevallig dat uit de wereld van de stille diplomatie voortdurend signalen komen - onlangs zelfs nog in een gezamenlijke verklaring van zes oud-ministers van Buitenlandse Zaken, waaronder Madeleine Albright, Joschka Fischer en onze Jozias van Aartsen - dat er met de Iranezen wel degelijk te praten valt. Er is en blijft immers één gigantisch gemeenschappelijk belang: geen oorlog. Moet het westen Iran dus maar zijn gang laten gaan? Absoluut niet. Alleen brengt enkel het ontwikkelen van een 'goed-kwaad' en 'wij-zij' schema ons hierin geen steek verder. 'Een syndroom,' schrijft Eric Frey, 'is in de sociologie en de politieke wetenschap geen medisch ziektebeeld, maar een gedragspatroon dat berust op innerlijke impulsen inplaats van observaties van analyses van de realiteit. Het leidt tot irrationele beslissingen, die vaak leiden tot handelingen die geen enkel voordeel bieden, en zelfs tot zelfvernietiging kunnen leiden.' Soms kan zo'n syndroom toevallig het juiste antwoord zijn, maar meestal brengt het de nationale en internationale belangen alleen maar in gevaar. Andere methoden zijn vaak veel succesvoller. Zestig jaar geleden formuleerde de grote Amerikaanse diplomatieke denker, George Kennan, bijvoorbeeld de zogenaamde 'containment'-strategie, het 'indammen' van een agressor. Kennan bepleitte een beleidslijn, waarbij militaire conflikten met de Sovjet-Unie moesten worden vermeden, zonder substantiële concessies te doen. Het was, anders gezegd, een strategie die de verzoening van de 'appaisement' en de waakzaamheid en robuustheid van de confrontatie in zich verenigde. Achteraf gezien was de 'containment'-strategie een redelijk succesvolle manier om de vrede te handhaven - al hebben bepaalde landen, bijvoorbeeld Hongarije, er in veel andere opzichten een bittere prijs voor betaald, die nog doorwerkt tot de huidige generaties toe. Maar er is inderdaad geen oorlog met de Sovjet-Unie uitgebroken, tegenover probleemstaten als Lybië heeft de strategie meestal goed gefunctioneerd, en dat zou in deze jaren kunnen gelden ten aanzien van Iran. Trouwens, ook de manier waarop premier Rabin het Israelisch-Palestijnse conflict wilde oplossen was voornamelijk gebaseerd op een strategie van appaisement en containment. Maar hij werd door een terrorist vermoord. Toevallig ook nog een Israelische terrorist. Toen de Eerste Wereldoorlog in al zijn onvermijdelijkheid was losgebarsten, in augustus 1914, bracht de voormalige Duitse rijkskanselier Bernhard von Bulow een bezoek aan zijn opvolger, Theobald von Bethmann Hollweg. Hij had maar één vraag: 'Hoe kon dit in hemelsnaam gebeuren?' Waarop Von Bethmann Hollweg alleen maar zijn armen omhoog stak. Zwijgend. We zijn nu bijna een eeuw verder, we hebben als internationale gemeenschap ongelofelijk veel bijgeleerd, maar toch kan zich opnieuw een wereldramp voltrekken. De keuze moeten we nu maken: of we geven verder toe aan de verleidingen van het 'wij-zij' denken, en we gaan door met het etiketteren van onze tegenstanders als 'de as van het kwaad', 'schurkenstaten', 'terroristen' 'fundamentalisten' of anderszins. Of we stimuleren het 'wij' denken bij onszelf en anderen. Dat is niet alleen meer een kwestie van menselijkheid of moraliteit, en al helemaal geen utopische dromerij. Het is, in de wereld van 2006, bovenal de internationale realiteit die ons hiertoe dwingt. Politiek denken en handelen gaat, bewust of onbewust, altijd uit van bepaalde vooronderstellingen over de menselijke natuur. Als de menselijke aard fundamenteel goed zou zijn, zouden er geen instituties nodig zijn, noch nationaal, noch internationaal. De vrijheid kan dan onbeperkt zijn. Als de menselijke natuur daarentegen door en door egocentrisch zou zijn, kan alleen dwang een zekere orde scheppen. Anders gezegd: alleen voor een dictatoriale heerser zou er dan nog vrijheid kunnen bestaan. Het ‘wij’ denken gaat ervan uit dat iedereen de wereld naar zijn eigen hand probeert te zetten, in een eeuwige concurrentie met anderen. Maar tegelijk zijn dergelijke gemeenschapsvormen ook altijd gebaseerd een mensbeeld, waarin de ander aanvaard wordt als een medemens die recht heeft op eigen vrijheid, en eigen ruimte. Dat betekent dat een vreedzame samenleving alleen mogelijk is als iedereen een zekere vrijheidsbeperking accepteert. In een wereld die door de techniek een eenheid is geworden, maar die politiek nog altijd is verdeeld, blijft er, kortom, maar e’e’n overlevingsmodel over: vrijheid, gecombineerd met respect voor de ander, en de verankering daarvan in de internationale rechtsorde. Voor onze ouders en grootouders was die Ander vaak geschreven met een hoofdletter. Dat zijn velen van ons kwijt, maar dat betekent niet dat we de ander met een kleine letter maar moeten laten schieten. Wij zijn en blijven kinderen van Athene, maar evenzogoed ook van Jeruzalem. |
|