|
Een kaalgekrabde geschiedschrijving
Lezing bij de presentatie van het gedenkboek Erebegraafplaats Bloemendaal – Haarlem, 30 november 2006. Mijne dames en heren, Na Klein's beknopte levensbeschrijving kon ik niet meer ophouden, en al heel snel kreeg ik hetzelfde gevoel als toen ik dat Ierse boek las, een mengeling van verbijstering, bewondering, en diep verdriet, dat ook. Want net als die Ierse encyclopedie is ook dit overzicht, juist door de rustige en zakelijke stijl, een zeldzaam emotioneel boek. Door de terughoudendheid van de auteur krijgt de lezer namelijk alle ruimte voor eigen gedachten en gevoelens. Dit boek pakt u en mij ongenadig aan, dat kan ik u verzekeren. En tegelijk laat het ons allen vrij om met dit alles op onze eigen manier om te gaan. Ook inhoudelijk zijn er duidelijk gelijkenissen tussen beiden werken. Net als in de Ierse encyclopadie ontdek je in dit boek gaandeweg verbanden tussen allerlei gevallen, merk je dat soms hele families en vriendengroepen zwaar getroffen worden, kom je sommige namen telkens weer tegen, besef je dat achter de naam van één dode vaak een veel bredere kring van onherstelbaar verdriet schuilgaat, levens van partners en kinderen waarmee het nooit meer helemaal goedkomt. Maar tegelijk is er één groot verschil tussen dat Ierse boek en het werk dat we vanmiddag ten doop houden. Lost Lives, zo hebben de Ierse auteurs hun boek gedoopt, verloren levens. Wij, Nederlanders, spreken over de Erebegraafplaats Bloemendaal, en in dat woordje 'ere' ligt een fundamenteel verschil. Kenmerkend voor heel veel van die Ierse verhalen is namelijk het toeval, het stomme noodlot dat een toevallige voorbijganger trof die ongelukkigerwijs op het foute moment in de foute pub, of op de foute straathoek, of in de foute deuropening stond. Kenmerkend voor degenen die wij vanmiddag herdenken is het omgekeerde: de wil, de eigen keuze. Kenmerkend voor de meeste Ierse gevallen is het slachtofferschap. Kenmerkend voor Bloemendaal is de beslistheid waarmee onze hoofdpersonen zelf het lot tegemoet treden. Dit boek gaat ook over geestelijke moed, spirituele moed, zo u wilt, en dat is misschien nog indrukwekkender. De meeste levensverhalen concentreren zich, in dit geval terecht, op de laatste weken, dagen en uren, op de afscheidsbrieven, op de allerlaatste boodschappen. We lezen over de socialistische drukker Han van Zomeren, die nog in zijn laatste uur een politieke discussie met een van zijn bewakers begon. Over Willem Arondeus die bovenal wilde dat bekend zou worden dat hij als homo aan het verzet had deelgenomen, dat homo's niet laf of verwijfd of decadent waren. Zijn kameraden, waarmee hij die laatste weken een vaste groep vormde, die in hun gemeenschappelijke cel eindeloos praatten, discussieerden, de Bijbel lazen, grappen maakten en, zoals een van hen het uitdrukte, een ongekende tijd van 'blijheid en geluk' doormaakten. Over de zogenaamde Meppeler groep die de laatste nacht door de gevangenis luid schallend 'Een vaste burcht is onze God' zong, alsof ze, zoals een medegevangene schreef, reeds juichend voor Gods troon stonden. Over de dertien ter dood veroordeelde Vrij Nederland-mannen die, in de woorden van hun medegedetineerde Cleveringa, iedere dag de zogenaamde Sportplatz op kwamen draven 'als hadden zij geen zorgen aan het hoofd en zouden zij morgen aan den dag vrijkomen'. Het verhaal van Gitta Sereny laat zien hoe belangrijk in zulke situaties de moed van de onafhankelijkheid is. Het ging in 40-45 om geweld en terreur, zeker. Maar het nationaal-socialisme draaide ook op subtielere processen, op vernedering, uitsluiting, passiviteit, wegkijken. Het schokkende van dit boek, tussen de regels door, zijn ook de verhalen van verraad en, erger en frekwenter nog, van wegkijken, passiviteit en misdadige braafheid. De spoorwegmensen waaraan een van de hoofdfiguren in dit boek al in de zomer van 1942 smeekte om niet mee te werken aan de joodse deportaties, en die desondanks deden alsof hun neus bloedde; de keurige mensen die niets wilden weten van de neergeschoten verzetsman die zich 's nachts naar hun huisdeur wist te slepen en hem zonder pardon weer overleverden aan zijn beulen; de bewoners van het Friese dorpje Echtenerbrug die Lodo van Hamel en de zijnen braaf gingen aangeven bij de autoriteiten toen hun vertrek met een watervliegtuig vanaf het Tjeukemeer was mislukt - er loopt nu een Lodo van Hamelpad langs de plek, maar denk niet dat ze in Echtenerbrug dat verhaal erbij vertellen.... En zo kan ik nog wel even doorgaan. Net als in de oploop die Sereny beschrijft spelen ook in dit boek toeschouwers en voorbijganges een cruciale rol. Hun passiviteit werd - en wordt nog altijd - door de aanjagers van het kwaad gezien als goedkeuring. En de meeste toeschouwers leggen de passiviteit van andere toeschouwers op soortgelijke wijze uit: het zal wel goed zijn. Zo kan gemakkelijk een sneeuwbaleffect ontstaan, een soort zelfrechtvaardigend proces. Uiteindelijk worden de slachtoffers, enkel door de vernedering die ze ondergaan, in de hoofden van de toeschouwers zo ook slecht gemáákt. En dat kan gaandeweg leiden tot het uitsluiten van slachtoffers van het morele universum, zodat morele waarden en menselijke overwegingen niet meer op hen van toepassing worden verklaard. Maar nu de positieve kant van dit verhaal van de kleine, dappere Gitta Sereny: het omgekeerde werkt ook. Als een paar toeschouwers boos of negatief reageren, beginnen anderen het ook op te nemen voor de slachtoffers. Als eenmaal de stilte is doorbroken ontstaat er een omgekeerd sneeuwbaleffect. De gerechtigheid wordt hervonden, de moraal krijgt weer een plaats, we herkennen elkaar weer als mensen, als burgers van dit land, als kinderen van de hemel. Dat is misschien, naast alle dappere daden, wel de grootste verdienste geweest van de 371 mannen en die ene vrouw die we vanmiddag herdenken. Inderdaad, geen slachoffers, geen verloren levens, maar mensen het in hun daden uitschreeuwden: 'Hoe durven jullie!' En in een schitterende passage beschrijft ze dan een fantasie die haar wel eens had bekropen, tijdens zo'n bezoek: 'Ik heb wel eens gedacht: nu gaan al die graven open, de aarde beweegt, onze bloemen die we hebben neergelegd gaan bewegen, de aarde brokkelt af, en daar komen jullie. Jullie komen eruit! Mager, gewond, en in vodden gekleed. Jullie kijken naar ons, in onze dure jassen, jullie kijken naar al die goedgevoede mensen om ons hebben, jullie kijken wie bij jullie graf staat, en jullie zeggen: 'Waar is Aat? Waar is Cor? Waar is Flip? Waar is Jan? Waar is Muis? Waar is Rie? Waar is moeder? Waar is Geert? Waar is Zus? Wat is er met vader gebeurd? Waar zijn onze kinderen? En wij zijn groot geworden, en staan er aarzelend en onzeker bij, want jullie weten niet wie wij zijn, jullie kennen ons niet eens....' Dit boek is in die zin een troost. Ik denk dat er namelijk toch herkenning zou zijn, een grote, diepe, intense herkenning, over tijd, en dood, en generaties heen. Een herkenning die ik zie in de stijl van de kinderen - waarvan ik sommigen tot mijn vreugde persoonlijk blijk te kennen - en die ik herken in de stijl van leven en schrijven van de vaders. Een herkenning die ik bovenal zie in de moed en in de onafhankelijkheid. Dat gaat door. Dat zit in hen, en hopelijk ook een beetje in ons. |
|