|
Reizend door een krakend imperium
Geert Mak toerde in de zomer van 2004 tweeënhalve maand door de Verenigde Staten. Hij zag een land in verval en keek in doffe ogen die op Bush gaan stemmen. Verschenen in De Groene Amsterdammer van 29 oktober 2004. Het was de zomer waarin zich een heel alfabet aan orkanen op Florida en de omliggende staten stortte. «Why don’t we bomb these things away?» riep een presentator van het ochtendnieuws wanhopig bij de nadering van orkaan nummer drie. Het was de julimaand waarin George W. Bush zijn presidentschap verloor met Irak en de economie, maar waarin John Kerry niet in staat leek de verkiezingen te winnen. Het was die dag in september waarop voor het eerst sinds jaren weer militaire wapens als AK-47’s en uzi’s vrij in de Wall-Marts verkocht mochten worden. Het was ook de zomer waarin The Spokesman, de Billings Gazette, de Bozeman Daily, The Sacramento Bee, The Oregonian en The Arizona Republic week na week hetzelfde onheilsnieuws brachten, altijd weer groot opgemaakt, altijd weer hetzelfde soort dode jongens. William R. Emanuel IV (19) uit Stockton, die wel zestien boterhammen met pindakaas achter elkaar kon opeten. Jesse Jack Martinez (20) uit Tracy, die politieofficier wilde worden en die twee dagen eerder nog trots tegen zijn vader had geroepen: «This is no videogame over here! This is real!» Mijn vrienden zuchtten en daarna begonnen ze over vroeger te praten. Dat had ik nog nooit meegemaakt, nostalgische Amerikanen. Ze waren het volstrekt met me eens, maar ze hoorden nu al jarenlang tot die helft van de Amerikaanse bevolking die net die paar procent tekort kwam om niet alleen gelijk te hebben, maar ook gelijk te krijgen. Het waren boze Democraten en beschaamde Republikeinen, ze keerden zich in arren moede naar het gouden verleden, zelfs het pak sinaasappelsap op tafel praatte over dad die zo heerlijk sinaasappels plukte op de oude family farm in het verre Florida, waar het leven zo goed was. In hun kasten stonden de nieuwste titels van Jane Jacobs, de historicus Niall Ferguson, de voormalige topdiplomaat Warren Zimmerman en de Senaat-veteraan Robert Byrd. Niall Ferguson zag de VS als een «imperium in ontkenning», een wereldrijk dat niet meer functioneerde omdat de Amerikaanse elite niet de persoonlijke lasten daarvan wilde dragen – geen Amerikaan wil zeventig jaar aan de opbouw van Irak besteden, zoals de Britten dat in Egypte deden – en de Amerikaanse economie de kosten daarvan niet meer kon trekken. Byrd had het over «losing America», hij vergeleek de situatie in Washington met de onttakeling van het Romeinse Rijk. Warren Zimmerman schreef aan het slot van zijn geschiedenis van het Amerikaanse imperiale denken over een «proces van verval» dat al sinds 1989 gaande zou zijn: «De periode van imperialisme, die (Ted) Roosevelt en zijn vrienden inspireerde, is stervende, misschien al dood.» En Jane Jacobs, decennia lang de goeroe van de stadssociologen, legde haar belangrijkste boodschap vast in één enkele titel: Dark Age Ahead.
Lahaye schreef eerder de Left Behind- reeks, christenthrillers die zich ook al afspeelden in de magische periode, vlak voor de wederkomst van Christus, en waarin de hoofdpersonen duivels, oorlogen en rampen trotseren om alsnog het eeuwige leven te verwerven. Left Behind – met verkoopcijfers boven de vijftig miljoen – is inmiddels uitgegroeid tot een begrip in het Amerikaanse achterland, een merknaam waaromheen films, kinderboeken en zelfs videospelletjes worden ontwikkeld. Volgens een opiniepeiling van Newsweek meent één op de zes Amerikanen het einde der tijden nog zelf, tijdens dit leven, te zullen meemaken. In het laatste deel van de serie, dat dit voorjaar verscheen, heeft de antichrist (een gladde Europeaan) zich in Turkije gevestigd, de slappe en onchristelijke Verenigde Naties beheersen Jeruzalem en de laatste ware gelovigen hebben zich verzameld in de antieke stad Petra. De hoofdpersoon tobt ondertussen voort met de vraag of hij, in zijn nieuwe, hemelse gedaante, zijn oude liefje nog wel zal herkennen tussen al die miljoenen andere gelukzaligen. En in de supermarkten kondigen zich alweer nieuwe reeksen aan. In opmars is nu een serie waarin de US Rangers een hoofdrol spelen; Amerikaanse christensoldaten die tijdens de eindtijd de antichrist bestrijden in exotische oorden als Koerdistan en Syrië. In de christelijke radiotalkshows bellen mensen op die zich tegen ieder vredesproces in het Midden-Oosten verzetten: daarmee zou immers Gods plan rond de eindstrijd tussen Goed en Kwaad op de Armageddonvlakte bij Jeruzalem verstoord kunnen worden. Langs de snelwegen staan hier en daar grote reclameborden, niet voor Cola maar voor God. Ze tonen in felle tinten het beeld van een eenvoudige man die door een duivelsfiguur uit het volle leven wordt weggerukt: bent u gereed? Het spoorwegnet, in de jaren vijftig nog het beste ter wereld, is grotendeels verdwenen. Hogesnelheidslijnen, in Europa en Japan al jarenlang een vertrouwd verschijnsel, zijn in de Verenigde Staten onbekend, op een wankele verbinding tussen Boston en Washington na. Tussen Parijs en Lyon – reistijd anno 2004 amper twee uur – rijdt bijna ieder half uur een TGV. Tussen San Francisco en Los Angeles, een soortgelijke afstand, boemelt dagelijks welgeteld één Amtrack-trein die er een volle dag over doet. De technische verkiezingsproblemen in Florida en elders vormen voer voor advocaten, maar ze zijn ook tekenend voor de dikwijls volstrekt verouderde en inefficiënte overheidsadministratie. Mijn vriendin Edith (86), weduwe van een keurige boekverkoper in Berkeley, werkt nog altijd van acht uur ’s ochtends tot vier uur ’s middags in een bibliotheek. In Salt Lake City vertelde een taxichauffeuse (74) me haar verhaal: een goed leven, gepensioneerd, man ziek, slecht verzekerd, huis verkocht om de ziekenhuisrekening te betalen, man overleden, nu overleven op de taxi. In Phoenix pakte een caissière onze boodschappen in. Ik zag haar rimpelige, wat bevende handen, daarna haar gezicht: ze liep vrijwel zeker tegen de tachtig. Terwijl zelfs in de meest afgelegen Spaanse en Hongaarse dorpen de laatste jaren van alles in beweging is gekomen, is het leven achter in Idaho en Arizona de laatste dertig, veertig jaar onveranderd gebleven. Niall Ferguson bracht sommige recensenten tot grote woede met zijn «smakeloze» grappen over de superdikte van nogal wat Amerikanen – volgens de laatste cijfers lijdt 58 procent van de bevolking aan, soms extreem, overgewicht. Toch is het een aspect van het Amerikaanse imperium dat iedere buitenstaander onmiddellijk treft: de onbeheerste gretigheid van deze cultuur, de gulzigheid waaraan deze samenleving zich heeft overgegeven, en die, meer dan ooit, wordt uitgeleefd als een goddelijk recht. Overal ronken de airco’s, moderne warmte-isolatietechnieken staan hier nog in de kinderschoenen. Iedere truckchauffeur laat zijn motor rustig een uur doordraaien terwijl hij zit te lunchen. De staat Californië heeft deze praktijk recentelijk enigszins aan banden gelegd, men verwacht een vermindering van de milieubelasting van tien procent. Gewoon lopen is verdacht, een bezigheid van armen en buitenstaanders. Voor de doorsnee Amerikanen is lopen, net als fietsen, een activiteit die alleen nog maar plaatsvindt als lichaamstraining, omringd door lotgenoten en speciale attributen. Als de hoofdpersoon van de Left Behind- reeks in een ontwricht New York vast raakt, is een van de eerste rampen die hem in de eindtijd treft een onvrijwillige wandeling. Hij moet lopen! Wel twintig kilometer! «Oh God, help me! hijgde Buck.»
De Amerikanen zijn kortom veel slechter voorbereid op de 21ste eeuw dan de Europeanen. Terwijl Europa en Azië, ondanks al hun problemen, of misschien juist wel daardoor, de afgelopen dertig jaar een ingrijpend moderniseringsproces hebben doorgemaakt, zijn de Amerikanen blijven hangen in de jaren zeventig. De Europeanen zijn met veel moeite bezig een nieuwe balans te zoeken tussen nationale belangen en internationale samenwerkingsvormen – de enige manier om de grote vraagstukken van de komende jaren aan te pakken. De Aziaten volgen de Europeanen daarin. In de VS moet het denken daarover – althans buiten de elite – nog beginnen. Het Amerika van het Marshall Plan, waar sommige Nederlandse publicisten nog altijd over spreken, lijkt van de aardbodem verdwenen en voorlopig zal het ook niet meer terugkomen. Het land besteedt dit jaar zo’n 450 miljard aan militaire uitgaven, tegenover hooguit vijftien miljard aan officiële ontwikkelingshulp. Die verhouding 30:1 is tekenend. De sombere milieuvoorspellingen van het Pentagon die vorig jaar oktober in het weekblad Fortune uitlekten, trokken vooral de aandacht omdat het Amerikaanse denkgroepje meende dat Den Haag door het smelten van de poolkappen binnen enkele decennia onder de golven van de Noordzee zou kunnen verdwijnen. Veel onthullender was echter de conclusie dat de instabiliteit die deze klimaatsveranderingen teweeg zullen brengen, de eindeloze oorlogen over voedsel- en hulpbronnen die zullen ontstaan, enkel met militaire middelen bestreden kunnen worden. De toekomstige Amerikaanse strategie jegens deze globale vraagstukken zal dus, tenzij het beleid fundamenteel verandert, niet gebaseerd zijn op consolidatie en internationale samenwerking, maar enkel gericht op het onvoorwaardelijke behoud van de leefstijl van «Gods own country».
Hier wonen de losse arbeiders en de arme rustzoekers, de gepensioneerden die hun huis kwijt zijn geraakt aan ziekenhuiskosten en die alleen nog een caravan in zo’n woestijndorp kunnen betalen, de patiënten die zuivere lucht nodig hebben doch voor wie een verblijf in de bergen niet is weggelegd. Zonder uitzondering leven deze mensen binnen, met een volop zoemende airco op het dak en enkel een oude televisie als afleiding. Deze polyester hokken, dat is het enige wat ze nog te verliezen hebben. Ze zijn uitgestoten, onverzekerd, bezitten nauwelijks een stuiver, en toch zullen ze volgende week in grote meerderheid hun stem geven aan hun maatschappelijke tegenpolen. Inderdaad, de huidige president blinkt voornamelijk uit in het verzamelen van fondsen, het voeren van campagnes, het charmeren van kiezers en, bij succes, het belonen van de belangengroepen die hem steunen. Zijn onbekwaamheid op vrijwel alle andere terreinen staat buiten kijf. Veel commentatoren, ook in de regionale kranten, hebben allang de balans opgemaakt: het gezag – en daarmee de internationale positie – van het Amerikaanse imperium is de afgelopen drie jaar grote schade toegebracht; trouwe bondgenoten, zelfs Groot-Brittannië, zijn van Washington vervreemd geraakt; de Iraakse oorlog en wederopbouw zijn, los van de beslissing om überhaupt ten strijde te trekken, buitengewoon slecht gepland en doordacht; de Verenigde Staten zijn op dit moment militair niet in staat om een tweede conflict, bijvoorbeeld rond Iran of Noord-Korea, aan te gaan; in Washington is alle gevoel voor rechtmatigheid en openbaarheid zoekgeraakt, en ga zo maar door. Zelfs de lokale krant nabij Bush» ranch in Texas, The Lone Star Iconoclast, steunt ditmaal Kerry en «de terugkeer naar normaliteit». «We kijken terug op de afgelopen vier jaar, en bijna breekt ons hart», schreef de hoofdredactie van The New York Times in een verkiezingscommentaar. «Zoveel levens zijn nutteloos opgeofferd, zoveel kansen zijn gemakzuchtig verspeeld.» Commentator Paul Krugman meent dat George W. Bush en zijn staf enkel nog leven in een «zelfbedachte wereld, waarin alles gaat zoals de beleidsmakers willen dat het gaat». De oude Senaat-veteraan Robert Byrd (Democraat, West-Virginia) doet de huidige president af als «all hat and no cattle», zoals ze in Texas zeggen. In zijn boek beschrijft hij een informeel overleg in het Witte Huis over een nieuw «homeland-security package», een belangrijk complex van wetten rond de nationale veiligheid waaraan zelfs in de verkiezingsdebatten nog voortdurend is gerefereerd. In werkelijkheid, zo vertelt Byrd, fungeerden hij en de andere senatoren zolang de camera’s draaiden voornamelijk als decorstukken, «voortgerold als palmen in potten». Toen de televisieploegen waren vertrokken vroeg Byrd aan de president wat zijn voorstel nu eigenlijk inhield. Er kwam geen enkel antwoord. «Ik had net zo goed een recept voor een kerstcake kunnen voorlezen.» Het was duidelijk dat de president geen idee had wat precies in het wetsvoorstel stond, en, erger nog, het kon hem ook niets schelen.
In San Diego ontmoette ik Jay, een zachtmoedige ronde man die met mannenmoed probeerde van de drank af te blijven. Jay kwam net uit de gevangenis, hij had anderhalf jaar opgeknapt vanwege een vechtpartij onder invloed, en nu was hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Zolang hij onder het gevangenisregiem viel mocht hij niet stemmen. «Dat is maar goed ook», riep zijn vriend, «want anders zou die ellendige Bush er gegarandeerd weer een kiezer bijhebben!» «Dat klopt», zei Jay. «Ik ben inderdaad conservatief, ik ben voor normen en waarden.» Hij was veel meer een Reagan-Republikein dan een Bush-aanhanger, dat gaf hij toe, «maar Georg W. Bush deelt mijn normen en hij maakt zich sterk tegen het terrorisme». Jay is overtuigd en praktiserend homoseksueel, hij werkt zich van zeven tot vier kapot in de bouw voor een grijpstuiver, hij is nauwelijks of niet verzekerd, en toch stemt hij, zoals miljoenen lot genoten, in alle opzichten tegen zijn eigen sociaal-culturele en economische belangen in. Wat de verwarring nog groter maakt is, daarnaast, de buitenlandse politiek van de huidige regering: niet terughoudend – volgens de Republikeinse traditie – maar missionair, maakbaar zelfs, een lijn die veel meer past bij de Democratische traditie van Woodrow Wilson en Franklin D. Roosevelt. Vooral die laatste groep is hoogst interessant. Het zijn kiezers die zich vanouds verbonden voelden met de Democratische partij vanwege hun economische situatie, terwijl ze sociaal-cultureel – familiewaarden, antiabortus, antihomohuwelijk – dichter bij de Republikeinen staan. Zoals de meeste verwarde kiezers kozen ze uiteindelijk vrijwel altijd voor hun economische belangen. Toen de Democraten hen echter economisch in de steek lieten – mensen als Jay lopen nu eenmaal niet snel warm voor een miljardair uit Massachusetts en een letselschade advocaat die zijn fortuin verdiende met ambulance-chasing – keerden ze zich massaal tot de andere partij, waarin ze zich tenminste in sociaal-cultureel en religieus opzicht thuis voelen. In de tweede plaats – Frank noemt het in de marge – spelen godsdienstige gevoelens een niet te onderschatten rol. Al voor de zomer had zich in de opiniepeilingen een patstelling ontwikkeld waarbij iedere kandidaat kon rekenen op zo’n veertig procent van de kiezers. Slechts één op de vijf kiezers had nog geen beslissing genomen – normaal is dat in deze fase bijna de helft. De polarisatie is voor Amerikaanse begrippen ongekend. Toen Linda Ronstadt tijdens een concert in Las Vegas de moed had om iets positiefs te zeggen over Michael Moore, verliet de helft van het publiek de zaal en zelf werd ze zonder pardon door Alladin Casino & Resort op straat gezet. De twee oudste hoofdstromen van de Amerikaanse denktraditie – het piëtisme van de vrome immigranten en de Verlichtingsidealen van de Amerikaanse revolutie – lijken na ruim tweehonderd jaar een strijd op leven en dood met elkaar te zijn aangegaan. Beide partijen hebben het gevoel dat «hun» Amerika hun wordt ontnomen. En die twee Amerika’s blijken volstrekt verschillend te zijn. Tussenfiguren die in vorige generaties volop aanwezig waren – liberale Republikeinen uit de stad, ouderwets conservatieve Democraten uit de Midwest – lijken niet meer mee te tellen. Ik schrijf «godsdienstige gevoelens», want kiezers als Jay kenmerken zich, als het erop aankomt, door hun afwijzing van ieder rationeel argument. Hun visie op politiek en president vindt zijn oorsprong in het anti-intellectualisme van de protestantse evangelische kerken, bij wie het emotionele contact met God voorop staat. Vanouds hebben deze groepen zich altijd verzet tegen gestudeerde theologen en tegen welke vorm van kerkelijke hiërarchie ook. Iedere vorm van kritisch en rationeel denken staat het directe contact met God in de weg. Die anti-intellectuele levenshouding is nog eens versterkt door de golf van jonge, linkse professionals die sinds de jaren zestig over het land rolde en die bij deze, grotendeels agrarische kiezers, een onherstelbare weerzin opriep. Kyoto, de dreigende fiscale crisis; hoe je ook praat, voor mensen als Jay bestaat het allemaal gewoon niet. In de radiotalk shows in Utah, de wegrestaurants in Arizona, de rodeo’s in Wyoming, overal staat kritisch nadenken voor links en arrogant, voor de degeneratie van de stad, voor een aantasting van de zuiverheid van het herboren platteland. De huidige president speelt daarop in als geen ander. Met expliciete boodschappen – hij was nog niet verkozen of hij kondigde een nationale gebedsdag af – maar vaker nog met impliciete hints, met het voortdurend gebruik van termen als «goed» en «kwaad», met codes die zijn mede-wedergeboren- christenen onmiddellijk verstaan als: «Denk eraan, ik ben een van jullie.» En dat gevoel telt sterker dan welk argument ook. We belanden in Moses Lake, een warm stadje ergens achter in de staat Washington. De lokale televisie is de hele dag druk met een van de moddercampagnes waarop Karl Rove, het strategische brein achter de president, het patent heeft: John Kerry heeft de granaatscherven van Vietnam nog in zijn been zitten, maar toch vertelt de geruchtenmachine dat hij een verrader en een lafaard is. En tegelijk vraagt schijnbaar niemand zich af wat de zittende president zelf in die jaren deed. Zelfs zijn meest welgezinde biografen laten daarover geen twijfel bestaan: klieren, zuipen en rond neuken. Zelf spreekt hij, geconfronteerd met de eerste veertig jaar van zijn leven, elegant over «my wilderness years». Zijn ontdoken dienstplicht, zijn zakelijke gesjoemel; het wordt hem, bekeerde zondaar, allemaal graag vergeven.
De verkiezingen verkeren in de tweede fase. In de eerste fase, die tot het begin van de zomer pleegt te duren, wordt de zittende kandidaat gewogen. Soms is die fase al beslissend. Ronald Reagan en Bill Clinton waren zo populair dat geen enkele opponent een schijn van kans maakte. George W. Bush was, zo bleek uit de polls, voor deze eerste test gezakt: zijn aanhang was te gering, een zittende president hoorde in deze fase veel hogere percentages te scoren. Bovendien vond een meerderheid van de Amerikanen dat het land op het foute spoor zat – ook een belangrijke indicator. De derde fase, de directe confrontatie, moet nog plaatsvinden. De slimste commentatoren mikken al op een verlenging van het Cheney-Rove-regime, op «four more years of hell». De president heeft immers een viertal stille bondgenoten aan zijn zijde: de dolgeworden egotripper Ralph Nader, voor wie de Republikeinen zo langzamerhand harder aan het werk zijn dan zijn eigen aanhang; het officiële volkstellingbureau, dat sinds de laatste verkiezingen aan de Bush-staten zeven extra kiesmannen gaf en er zeven afpakte van notoire Kerry-staten; Osama bin Laden — Bush kan nog altijd zorgen voor een onverwachte oktober surprise; en, als de nood werkelijk aan de man komt, de nieuwe, nauwelijks controleerbare stemmachines in Florida.
De stands van de Democraten en de Republikeinen staan vlak naast elkaar, maar het is in de woorden van een Democratische vrijwilligster «alsof we van verschillende planeten komen». Washington is een verscheurde staat. Achter de bergen, aan de kant van de oceaan, heerst een Californische mentaliteit. Hier in het oosten wordt, zeggen de vrouwen, de politiek gedomineerd door bange boeren die allemaal Republikeins stemmen. «De Grand Old Party heeft weinig of niets voor ze gedaan, maar ze zijn er heel, heel moeilijk van te overtuigen dat hun belangen bij de Democraten liggen», zegt een vrouw terwijl grote schalen met zelfgebakken koekjes de bezoeker toelachen. Aan de overkant, in de tent van hun tegenstanders, wordt weinig over politiek gepraat. De stemming is zelfvoldaan, wat blufferig. De vrouwen trekken zich niets meer van hun tegenstanders aan. «We zijn het gewend», zegt de oudste rustig. Ze is, vertelt ze, een gewone huisvrouw uit Spokane. Al vanaf februari werkt ze voor de Democratische campagne. «Alle tijd die ik heb gooi ik erin, alles, alles. Mijn man ook, onze vrienden ook. U weet niet half hoe hard wij allemaal werken. Ik zeg u dit, mijnheer, dit gaat om onze kinderen en kleinkinderen. Dit zijn de belangrijkste verkiezingen die we ooit in ons leven zullen meemaken.» Later steken een paar dronken Republikeinen over naar de Democratische stand, ze beginnen te schreeuwen voor de schalen met koekjes. De wereld is nog steeds van hen, en zeker deze boerenkermis. |
|