|
Leve Spinoza, leve Gümüs, leve de mercator sapiens!
Lezing, tevens gepubliceerd in de Groene Amsterdammer van 30 november 2002, bij ontvangst van de IJ-prijs. Najaar 2002 ontving Geert Mak de IJ-prijs, een prijs van ondernemers voor iemand die zich verdienstelijk heeft gemaakt voor Amsterdam. Hij schonk het gewonnen geld aan De Groene Amsterdammer. In onderstaande lezing bij de aanvaarding van de prijs verklaart hij waarom:
Toen ik wakker werd besefte ik dat mijn droombeeld niet eens zover bezijden de werkelijkheid was. Zo wás het inderdaad op veel plekken in de Jordaan, de Nieuwmarktbuurt en de Pijp in de jaren zeventig. De binnenstad wás op een onvoorstelbare manier verkrot en uitgewoond, maar er hing een sfeer van veiligheid in de breedste zin van het woord: in de vriendschappen, in de talloze buurtwinkels, in het zelfrespect dat het eigenhandig onderhouden en repareren van huis en spullen gaf, in de vrijheid van een bestaan zonder krankzinnige hypotheken, in het simpele loperslot waarmee onze etage en onze kleine rijkdommen afdoende waren beveiligd. Zo was onzestad inderdaad, voor de grote volksverhuizingen en voordat de drugs kwamen en de ijle onwerkelijkheid van het grote geld. We waren, op onze eigen manier, gelukkige burgers. Het is u allen duidelijk: die droom was gewoon een pittige nostalgische koortsaanval, iets waar je verder niets mee aankunt in het Amsterdam van 2002. Toch is zo’n nostalgische aanval interessant. Nostalgie is immers absoluut taboe in deze tijd van vooruitgang, maar tegelijk zie je de symptomen overal: in de wel erg verpopte Hollandse binnensteden, in de traditionele festiviteiten die overal opnieuw worden uitgevonden, in de taal van journalisten en politici. Nostalgie, het rouwen over de voorbije tijd en het verloren burgerschap, is de grote, ongeneeslijke conditie van de moderne tijd, zegt Harvard-hoogleraar Svetlana Boym in haar schitterende boek over dit verschijnsel. Volgens haar is nostalgie in toenemende mate een epidemie aan het worden, een merkwaardige en belangrijke tegenhanger van de modernisering en de globalisering. «De twintigste eeuw begon vol utopische dromen en eindigde met nostalgie», schrijft ze. Nostalgie hoeft niet altijd iets verwerpelijks te zijn, integendeel. In wezen is het een vorm van rebellie tegen een moderne tijd die vervuld is van al te blind geloof in alles wat nieuw is. Het is een terechte rouw over al die dingen van waarde die in het proces van modernisering verloren zijn gegaan. Het heeft ook een politieke, utopische dimensie — al is die vooral gericht op het verleden. Hoe zag dat vaderland er dan in werkelijkheid uit? Daarover is geen twijfel mogelijk: Amsterdam was vanaf de zestiende eeuw een vrije, verlichte handelsstad, en daarmee een klassieke immigrantenstad. De ongelooflijke explosie van handel, cultuur en welvaart in de zeventiende eeuw was grotendeels het resultaat van de chemie tussen de oorspronkelijke Amsterdammers en de vele tienduizenden immigranten uit Portugal, Vlaanderen, Duitsland en met name ook de Scandinavische landen. Ze verbonden Amsterdam met nieuwe handelsnetwerken, ze konden dingen die de Amsterdammers niet konden, ze introduceerden nieuwe vormen en technieken, ze braken de wereld telkens weer voor ons open. Al die eeuwen daarna is het karakter van Amsterdam in belangrijke mate bepaald geweest door immigranten — denkt u maar aan de Hugenoten, de asjkenazische joden, de Franse dissidenten in de achttiende eeuw, de Duitse dissidenten in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Zelfs in de meest suffe periode van de stadsgeschiedenis, het begin van de negentiende eeuw — ik kwam het cijfer laatst tegen in een belastingplan uit 1813 — bestond zo’n twintig procent van de rijkste Amsterdammers uit mensen die in het buitenland waren geboren. Over zo’n stad praten we. Ik kan me een plaats als Urk voor de geest halen, een plaats zonder vreemdelingen. Maar zelfs in mijn meest nostalgische aanvallen loopt er altijd een Spinoza langs de Amsterdamse grachten, en een Joseph Roth, en een mijnheer Gümüs.
Ik zal u een paar cijfers geven, dat heb ik geleerd van de sociografen van de Universiteit van Amsterdam waar de Wibautleerstoel is ondergebracht: niet praten maar tellen. Welnu, als je de statistiek van de stad nauwkeurig bekijkt zie je dat er almaar meer immigranten uit de geïndustrialiseerde landen de stad binnenkomen. Bijna tien procent van de stadsbevolking bestaat op dit moment uit immigranten uit Amerika, Japan, Duitsland en Engeland, een groep die ongeveer tweemaal zo groot is als de Turken. In Zuid en de Binnenstad vormen deze expats op dit moment al een kwart van de bevolking. Ik herhaal: een kwart. Het is dus niet verbazingwekkend dat in winkels de voertaal vaak al Engels is, en dat zal alleen maar toenemen. In die migratiecijfers zie je ook een komen en gaan. De aantallen vertrekkers zijn vaak bijna net zo hoog als de aantallen binnenkomers. Veel immigratie blijkt in werkelijkheid migratie te zijn, heen en weer reizen. Het is kortom niet een vaste, homogene groep nieuwkomers die langzamerhand de stad «afpakt» van de gevestigde Amsterdammers. Het ging en gaat om zeer uiteenlopende groepen met sterk verschillende waarden en doeleinden, groepen die ook permanent in beweging zijn. Het is een rondpompen. In deze maanden spreken sommigen, als ze het hebben over immigratiepolitiek, met enthousiasme over het Deense model. Maar wat zou er gebeuren als we Amsterdam werkelijk onder een kaasstolp zouden zetten? We zouden ons allereerst buiten de grote internationale stromen van goederen en diensten plaatsen, stromen die toch al de neiginghebben om ons land en onze stad zuidelijk te passeren en die we alleen met veel energie, slimheid, openheid en flexibiliteit in onze richting kunnen verleiden. In die richting ontwikkelen de grote stadsgebieden van Londen, Lille en het Ruhrgebied zich, maar ook de pseudo-metropool waartoe wij behoren, de Randstad. Ik weet het, het maakt de zaken er niet simpeler op, want ook het kwaad is buitengewoon kosmopolitisch geworden, net als de armoede en de honger in Afrika. Maar een Deens model kunnen we uit ons hoofd zetten. We wonen nu eenmaal niet in Jutland en we willen ook niet dat het hier een soort Jutland wordt.
En ten slotte wordt het burgerschap overal ter wereld op zijn kop gezet door de globalisering, door alles wat van elders komt. «Het burgerschap in een Europese welvaartsstaat kan een waardevol bezit zijn, een bron van steun», schrijft de Noorse antropologe Unni Wikan. «Maar wil het burgerschap alle beloften waarmaken, dan moet het opnieuw worden uitgevonden en verstevigd.» Dat vraagt volgens haar om «een nieuw soort gemeenschappelijke lijm» om de zaak bijeen te houden. Het gaat daarbij om meer dan campagnes over netheid en fatsoen, en enkel een paar blikken agenten erbij is ook niet de remedie. Er moet opnieuw een soort basisvertrouwen worden geschapen, dat is de grote en uiterst gecompliceerde uitdaging voor de komende jaren. Immers, burgerschap berust in de kern op vertrouwen, niet alleen op vertrouwen in elkaars goede bedoelingen, maar ook in de kwaliteit van bestuur en rechtspraak, in de bekwaamheid en integriteit van politici, in de burgerzin — een bijna vergeten woord — van managers en ondernemers.
Maar je komt ze steeds minder tegen. Het voorbeeldfiguur van de mercator sapiens lijkt in het hedendaagse bedrijfs leven steeds meer vervangen te worden door het ideaal van Dagobert Duck: het absolute primaat van het kapitaal, het isolement van het geldpakhuis. Het lijkt wel of de huidige elite van ondernemers — een aantal loffelijke uitzonderingen daargelaten — steeds minder verantwoordelijkheid kan of wil dragen voor de publieke zaak in het algemeen. Kan dragen, omdat het leven van een manager steeds voller en vluchtiger wordt en omdat in die internationale stromen de banden met de eigen stad vaak steeds dunner worden — het is zelfs de vraag wat eigenlijk nog je eigen stad is als je iedere drie jaar wordt overgeplaatst. Wil dragen, omdat de werelden van politiek en bedrijfsleven zo uiteen zijn gegroeid dat men over en weer totaal niet meer kan aarden in het andere circuit. Dat is allemaal begrijpelijk. En toch is het heel hard nodig, het herstel van de persoonlijke verbanden tussen bedrijfs leven en stad, het opbouwen en uitvinden van nieuwe, moderne vormen van burgerschap. Ik zou, kortom, met het geldbedrag dat aan deze IJ-prijs is verbonden het liefst Barlaeus’ mercator sapiens nieuw leven willen inblazen. Mijn keuze viel daarbij na lang wikken en wegen op een typisch Amsterdams instituut, een instituut dat zo arm is dat de IJ-prijs daar met luid gejuich zal worden ontvangen, een publieke debatruimte die exact 125 jaar geleden is opgericht als een onafhankelijk weekblad door en voor de mercator sapiens — en zijn rebelse kinderen, dat moet ik er wel aan toevoegen. Mijn keuze betreft een gewoon klein Amsterdams bedrijf dat al die jaren met veel idealisme en slim koopmanschap overeind is gehouden. Een NV die nooit iemand rijk heeft gemaakt, maar die voor het debat en de cultuur in de stad zeer veel heeft betekend. Een geestelijke ruimte die door talloze echte Amsterdamse figuren is bewoond, variërend van Frank van der Goes-Naters, Menno ter Braak, Jeanne van Schaik-Willing en Loe de Jong, tot Evert Werkman, Han Lammers, Rob Wout en Martin van Amerongen. Een weekblad dat als enige nog de naam Amsterdam in de titel voert en dat, onder bezielende leiding van de nieuwe hoofdredacteur Hubert Smeets een periode van vernieuwing ingaat waarbinnen onze stad vermoedelijk centraler zal komen te staan dan in jaren het geval is geweest. Het doel is simpel. Internet is de agora van de 21ste eeuw, daar wordt de mercator sapiens van de toekomst gevormd en gekweekt. Welnu, moge de jubilerende Groene Amsterdammer, dankzij deze financiële stimulans, in deze nieuwe, virtuele wereld haar Amsterdamse naam en faam eer aan doen. Dus: leve De Groene, leve Spinoza, leve mijnheer Gümüs, leve de mercator sapiens, leve onze stad Amsterdam. |
|