Een nieuwe vogelvlucht boven Amsterdam

Toespraak ter gelegenheid van het kennismakingsbezoek van Maxima met de stad Amsterdam op 10 september 2001.

Koninklijke Hoogheid
Mevrouw Máxima Zorrequieta
Mijnheer de burgemeester

Dames en heren,

Plattegrond Amsterdam 16e eeuw, geschilderd door J.C. MickerEr bestaat een verhaal van een van de grootste schrijvers van de vorige eeuw, een oude, halfblinde man. Het gaat over de dichter en de Gele Keizer. De keizer liet de dichter zijn paleis zien, zo groot als een stad, zo groot als een land bijna. Toen ze bij de laatste scharlakenrode wachttoren waren gekomen zei de dichter één zin. En het ongelofelijke was dat het hele paleis, tot in de details, in dat gedicht zat, met al het beroemde porcelein en iedere tekening op dat porcelein, en met alle schaduwen en schemerige lichten, en met ieder ellendig en gelukkig ogenblik van de roemrijke dynastieën die ooit het paleis hadden bewoond. 'Iedereen verstomde,' zo besluit het verhaal, 'maar de keizer riep tegen de dichter: 'Je hebt me mijn paleis ontrukt' en het ijzeren zwaard van de beul maaide het leven van de dichter weg.'

Volgens het draaiboek van deze middag heb ik precies negentien en een halve minuut om heel Amsterdam voor u samen te vatten, dus ik hoop dat mijn hoofd nog op de romp staat als ik klaar ben. Ik hoop ook dat ik uw eigen Amsterdam, uw eigen beeld van uw eigen hoofdstad, niet van u afpak, want dat is een dierbaar bezit. Alleen is het wel goed om permanent voor ogen te houden dat wij hier, in deze zaal, maar een klein stukje vormen van de veelheid aan werelden die Amsterdam telt. Dit hier is het gearriveerde Amsterdam. Daar zijn we op geselecteerd, op interessantigheid. Ik kan u echter verzekeren dat het niet-gearriveerde Amsterdam, het jonge Amsterdam, het arme Amsterdam, het nieuwe Amsterdam, het Amsterdam dat zoekend en vallend onderweg is, dat dat nog oneindig veel boeiender is. Dus, inderdaad, laten we het kort houden. Hierbuiten liggen de echte verhalen.

Hoe kun je Amsterdam het beste benaderen? Met dat probleem zat ook de schilder Cornelis Anthoniszoon rond het jaar 1538. Hij had van zijn vorst, Karel V, de eervolle opdracht ontvangen om de stad Amsterdam vast te leggen en hij deed dat in de vorm van een vogelvlucht. U kunt die kaart straks zien, hij hangt in de zaal hiernaast en hij is zo nauwkeurig en gedetailleerd dat onze stadsarcheologen hem nog gebruiken om vast te stellen welke vondsten bij welk huis horen. Maar in het Amsterdams Historisch Museum hangt ook een geschilderde versie, en die opent een venster op de stad zoals die er in die vroege jaren bijlag, op een heldere, dag, met de vanen van de schepen op het wijde, grote IJ stijf in de oostenwind, met de Waag als een enorme stadspoort, de Oude en de Nieuwe Kerk als goddelijke bolwerken, en daartussen een zee van puntgeveltjes, twee verdiepingen hoog, niet verder reikend dan de Oudemanhuispoort, de Munt en het Singel - een stadje dus, zo klein, dat zelfs dit stadhuis, deze zaal er al buiten viel.

Amsterdam was op dat moment zo'n driehonderd jaar oud. Het was uitgegroeid van een modderig dorp aan de monding van de Amstel tot een stadje met zo'n tienduizend inwoners die hun bestaan vonden in de visserij en de handel, vooral op de Oostzee. Het was trouwens ook een belangrijk bedevaartsoord, dat stadje, en op de plek van de huidige rosse buurt stond het vol kloosters, alsof alle zonden bij voorbaat al konden worden weggebeden.

Het toenmalige Amsterdam was een eigenwijze stad. Het lag in een verre uithoek van de Europese koninkrijken, waar vorsten en andere gezagsdragers zich nooit erg om hadden bekommerd, en waar de burgers in moeras en water hun eigen land hadden geschapen. Die burgers waren bovendien, door hun eeuwige geploe-ter om boven water te blijven, gewend om zichzelf en hun bestuur efficiënt te organiseren en niet alle ruzies op de spits te drijven. In de schuttersgalerij van datzelfde Historische Museum kunt u met een paar van hen kennismaken: donkere mantels, sobere baretten, magere gezichten, grote handen, die eerste uitvinders van het poldermodel.
 
Een vogel die honderd jaar later, in 1638, boven Amsterdam zou vliegen, zou een totaal andere stad aantreffen. Het inwonertal was vijftien maal zo groot, in het IJ waren omvangrijke havencomplexen aangelegd, de kloosters waren omgetimmerd tot stedelijke weeshuizen, aan de westkant was een grote volkswijk gebouwd, de Jordaan, en rondom de oude stad was een nieuwe grachtenstad verrezen, die in niets leek op de andere nieuwe steden van het toenmalige Europa.

Schuttersgalerij, AmsterdamDat nieuwe Amsterdam was geen landstad met grootse pleinen, brede wandelwegen en één groot paleis, nee, het was een waterstad, gebouwd voor het watertransport, met waterboulevards en met vele honderden kleine paleizen. Het was een ideale stad, inderdaad, maar niet voor een vorst en een hof, maar voor een republikeinse burgerij.
Dat was het Amsterdam van Rembrandt, van Spinoza en Descartes, van Sweelinck, Vondel en Hooft, van de tienduizenden kooplieden, bankiers, ambachtslieden, avonturiers en lichte meisjes die er uit alle hoeken van Europa heentrokken. Iedereen wilde hier zijn. Uit de huwelijksregisters blijkt dat van de bruidsparen die rond 1650 trouwden maar een derde in de stad zelf was geboren. Amsterdam bestond in die tijd dus voor tweederde uit nieuwkomers. En kijk nog 's naar de Schuttersgalerij, hoe de Amsterdammers zelf veranderden, binnen twee, drie generaties, van strenge boeren tot exuberante heren met kleurige mantels en enorme kragen. Even was Amsterdam het New York van de toenmalige wereld. Even.

De Britse historicus J.L. Price heeft wel eens gezegd: het grote probleem met jullie, Nederlanders, is dat jullie land vrijwel direct na zijn ontstaan op zijn hoogtepunt belandde. De zogenaamde Gouden Eeuw vormde, hoe je het ook keert of draait, een ongekende creatieve uitbarsting op alle mogelijke terreinen: economie, bestuur, schilderkunst, filosofie, architectuur, stedebouw, noem het maar. Heel Europa stond paf over wat in dit kleine, jonge land gebeurde. Maar al na een paar decennia kwam de anti-climax, en die heeft daarna jullie land eeuwenlang beheerst.

De geschiedenis van Nederland doet zo denken aan het leven van een schrijver die direct, in zijn vroegste jeugd, zijn allerbeste boek schrijft. Alles wat er daarna gebeurt staat altijd in de schaduw van dat enorme, eenmalige succes. Dat geldt in wel zeer sterke mate voor deze stad. Nog altijd wordt hier de antieke, zeventiendeeeuwse binnenstad als het absolute centrum beschouwd - terwijl het werkelijke hard van de stad al jaren naar het zuiden schuift, in de richting van de andere kernen van de Randstad. Die obsessie met het oude centrum is begrijpelijk, want het is een van de mooiste binnensteden van Europa. Maar tegelijk heeft het een verstarrend effect waaraan we ons maar moeilijk kunnen onttrekken.

Een normale stad leeft in meerdere tijden tegelijk, en van alle tijden zijn sporen te vinden. Amsterdam niet. Wij voelen voortdurend een spanning tussen de vitaliteit van de stad, en die porceleinkast van het oude centrum. Wij willen geen kantoortuin en geen pretpark worden, maar ook geen museumstad als Venetië. Alle waarden draaien hier zo voortdurend om: progressiviteit is soms een strijd voor het behoud, conservatisme een doorbreken van het oude.

Maar er speelt ook nog iets anders: onze Hollandse mentaliteit. U treft hier opvallend weinig grootse, monumentale gebouwen aan, en mooie brede boulevards zult u al helemaal missen. Waarom is dat zo? Is dat iets Hollands? Is het ons beeld van de ideale stad, intiem, schilderachtig, maar zonder allure, zonder show. Is het misschien zelfs een uiting van ons egalitairisme, van onze oude burgerzin?

Voor een deel heeft die soberheid, denk ik, iets te maken met onze merkwaardige relatie tot geld en macht. U ziet het aan de ingehouden rijkdom van die oude grachtenpanden. U ziet het ook bij een gelegenheid als deze: er wordt geen groots banket aangericht, nee, een keurig broodje kaas en, als ik het draaiboek goed lees, 'enige caterering' tijdens de rondvaart, daar zult u het mee moeten doen. Jaarlijks staan hier in de kranten stukken over declaraties van de burgemeester en de wethouders. Als de burgemeester kans gezien heeft om, in een jaar tijd, aan zijn gasten maar f 127,50 uit te geven zijn we blij en trots. Dat is heel klassiek Nederlands, heel klassiek Amsterdams ook. Die soberheid - want het heeft ook iets moois, iets waardigs -, die soberheid heeft veel te maken met het feit dat hier nauwelijks een hof was, dat de toon zette. Maar ook met onze handelscultuur. In deze rijke stad diende geld niet om plezier te maken. Het was werkkapitaal, familiekapitaal, het moest geïnvesteerd worden, bewaard en liefst vermeerderd voor volgende generaties. Binnen het Nederlandse koopmanskapitalisme mocht je je rijkdom tonen maar het was absoluut 'not done' om met geld te gaan smijten. Vandaar die broodjes, die u, vrees ik, nog heel veel zult tegenkomen.

Voor een ander deel is die vorm van de stad ook, ik stipte het al aan, een uiting van ons egalitairisme, onze eigenwijze burgerzin. 'Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg,' dat is de gruwelijke wet waaronder we al eeuwenlang gebukt gaan. De relatie van deze stad met gezagsdragers en andere hoogheden was dus altijd ambivalent, en dat geldt zeker voor de relatie met het huis van Oranje.

Willem IIDe befaamde rookbom van vijf en dertig jaar geleden had een eeuwenlange voorgeschiedenis. De Amsterdamse regenten saboteerden al in de zeventiende eeuw de veldtochten van de stadhouders en dreven rustig handel met de vijand als er maar geld te verdienen viel. Stadhouder Willem II was weer zo razend op Amsterdam dat hij ooit, in 1650 geprobeerd, heeft de stad onverwacht in te nemen - zijn legertje verdwaalde op de Gooise heide, en zo mislukte die operatie. De gewone Amsterdammers legden daarentegen weer al hun verwachtingen bij de Oranjes. Stadhouder Willem IV is in 1748 zelfs een keer letterlijk in het Oudezijds Herenlogement uit zijn bed gehaald door een delegatie van 'Vrije Kattenburgers' die hem smeekte om hen van de stedelijke regentenkliek te verlossen. En een van de stadhouders, ik meen Willem V, schoffeerde de Amsterdamse regenten weer door bij een bezoek aan de stad met zijn gevolg in galop de ene poort in te stormen, over de Dam te denderen, langs het stadhuis en de verbijsterde burgemeesters, en door de andere poort weer de stad uit te galopperen. Dat waren pas echte bliksembezoeken. Maar aan de andere kant waren de verhoudingen tussen Amsterdam en, bijvoorbeeld, koning Willem I en koningin Wilhelmina weer buitengewoon innig en hartelijk. De Gouden Koets is hier ook vandaan gekomen. Het kan dus alle kanten opgaan.
Eén ding is zeker: het stadhouderschap, en later het koningschap, is hier nooit vanzelfsprekend geweest. Die oude republikeinen en orangisten als de 'Bijltjes' en de Bokkebek, ze blijven spoken op de zolders van ons stadspaleis.

De wijze, blinde schrijver die ik zonet noemde had een stelling. Die stelling luidde, kort samengevat: Alles wat we zien en meemaken hebben we in een vorige wereld al gezien, zodat kennen herkennen is. Het kan zelfs zijn dat een scene zich moet herhalen, dat alle krachten daartoe leiden, dat voorwerpen en gebouwen soms onvermijdelijk tot bepaalde gedachten dwingen, en vervolgens tot bepaalde handelingen.  
Die stelling kun je toepassen op families op paleizen, en ook op deze stad. Amsterdam is, net als iedere andere oude stad, niet alleen een opeenstapeling van hout, stenen en beton. Het is, na al die eeuwen, ook een geestesgesteldheid geworden, die onwillekeurig de bewoners beïnvloedt. Ik kan anders niet verklaren waarom, ondanks alle wisselingen, toch op een bepaalde manier iets van die eigenwijze burgercultuur hier blijft bestaan.

Je weet niet wat je leest, als je de bevolkingsstatistieken van deze stad ziet. In de jaren zestig en zeventig is een zeer groot deel van de toenmalige stadsbevolking vertrokken naar de voorsteden en vervangen door nieuwkomers - als u nog echte Jordanezen wilt ontmoeten, dan moet u in Purmerend zijn, of in Lelystad. Tegenwoordig woont de gemiddelde Amsterdammer nog maar tien jaar in deze stad - dan is-ie alweer weg. Statistisch is deze stad één grote doorspoelmachine. Maar toch blijven bepaalde elementen hetzelfde.

We hebben nog altijd hetzelfde licht, dat onze schilders en vormgevers inspireert. We liggen nog steeds op de rand van het continent, we zijn nog steeds een vertrekplaats en een wachtplaats voor mensen op drift, een Casablanca van Europa. We zijn opnieuw heel rijk - de grachtengordel ligt er fonkelend bij en vrijwel al het oude dat u ziet is in werkelijkheid brandnieuw. In die huiselijke grachtenkantoren wordt nog steeds gewerkt - en de mensen in de IT-sector beleven er dezelfde wilde avonturen als de 17e eeuwse magnaten.
We blijven halve republikeinen. We respecteren het werk van het staatshoofd, we herkennen het belang van de rituelen en symbolen, we houden van het theater van de monarchie en vaak ook van de hoofdrolspelers, maar we worden een beetje zenuwachtig als de mensen er echt in gaan geloven.

Nog steeds - misschien kan ik beter zeggen: opnieuw - is Amsterdam een exotische stad in vergelijking met de rest van Europa. Er heerst een merkwaardige combinatie van orde en anarchisme, die buitenstaanders eerst prachtig vinden, maar die hen later vaak ook verwart. Het is is een trein die hard rijdt, deze stad, en voor nieuwkomers is het vaak behoorlijk lastig om erop te springen. Dat levert allerlei fricties op - u zult daar vanmiddag vast het nodige over horen - en die zijn vaak niet gering. Maar die incidenten zijn wel tijdelijk. De grote lijnen wijzen duidelijk in een andere richting.
Uit diezelfde statistieken blijkt dat de integratie van, bijvoorbeeld, de Turkse en Marokkaanse immigranten over het algemeen - ik heb het dus niet over die paar procent die incidenten veroorzaakt - juist opvallend snel verloopt. Achterstanden zijn er nog, zeker op onderwijsgebied, maar qua huwelijksleeftijd, kindertal, opvattingen en gewoonten beginnen de jongere generaties steeds meer op de andere Amsterdammers te lijken. In veel opzichten zijn de verschillen tussen de eerste generatie immigranten en hun kinderen en kleinkinderen zelfs ronduit spectaculair.

Op dit moment schuift zo over het Amsterdam van de jaren zestig en de jaren tachtig opnieuw een andere stad. In 2015 zal, volgens de prognoses, de meerderheid van de stadsbevolking van buitenlandse origine zijn. De stad zal ook steeds meer andersoortige immigranten aantrekken, simpelweg omdat er teveel werk is voor te weinig mensen. Nu al vormen de immigranten uit Europa en de geïndustrialiseerde landen veruit de grootste groep. Daarmee zal de toon van het debat over immigranten vermoedelijk ook snel zal veranderen, en uit de sfeer van zieligheid, openbare orde en hulverlening verdwijnen. Er zullen ongetwijfeld nieuwe problemen tussen bevolkingsgroepen ontstaan, maar ze zullen van een totaal andere aard zijn dan de huidige. Langzaam wordt Amsterdam een volwassen wereldstad, met volwassen immigranten. En zo sluit de cirkel zich ook hier weer, naar de zeventiende eeuw.

De tijd gaat niet voor niets voorbij, en soms herkennen we onszelf niet meer. Maar tegelijk is het waar wat uw grote blinde schrijvers Ghorghe Borgés schreef: deze stad heeft het allemaal eerder beleefd, eeuwen geleden, de immigranten, de rijkdom, de burgerlijke eigenwijsheid, en ergens hebben we die kennis nog, verstopt in onze taal, onze tradities, onze omgangsvormen. Inderdaad: ons kennen is hérkennen. Godsdienststrijden, fundamentalisme, nationalisme, we hebben het allemaal gekend in deze stad, het woont allemaal nog ergens in onze kelders.

Op één gebeurtenis na, die we nooit een plaats hebben kunnen geven. Amsterdam is ook een gewonde stad, nog altijd. Bijna een tiende van de Amsterdammers is weggevoerd en vermoord, de rest stond erbij, het is meer dan een halve eeuw geleden, de buurten zijn gesloopt, de monumenten zijn opgericht, maar nog altijd is deze stad vol mensen wier hart 'vergaat van wroeging en schaamte, dat dit ongestraft heeft bestaan'.
Kennen is herkennen, en dat geldt ook hiervoor. Wij hebben het hier ook meegemaakt, al is het op een andere manier: het zwijgend wegkijken van de meerderheid, de heldenmoed van sommigen, de trots van de slachtoffers die niet spraken, de dapperheid van de slachtoffers die wél spraken, de deken van stilte die voortdurend weer weggetrokken moest worden, de schaamte, de pijn en de verwarring van de latere generaties, we weten er alles van. Wees, ook wat dit betreft, welkom, mevrouw Màxima.


Dames en heren,

Laten we nog een keer gaan vliegen, boven het Amsterdam van 10 september 2001. De stad heeft, wat oppervlakte betreft, zijn grenzen genaderd. De kleuren zijn veranderd, van bruin-rood naar zilver. Pal voor de oude zeehaven in het IJ is het Centraal Station neergeplempt, maar de grootste aanjager van de stad is nu een luchthaven: Schiphol. Amsterdam, ooit een veilige uithoek van Europa, wordt tegenwoordig op alle fronten geconfronteerd met de rest van de wereld - met de mondiale economie en cultuur, en ook met de mondiale ellende. Inplaats van territoria, plekken waar dingen gebeuren, zijn er over de hele wereld strómen van mensen en aktiviteiten ontstaan, positieve en negatieve, en Amsterdam neemt daar volop aan deel. Alle spanningen die dat oproept komen ook bij ons tevoorschijn: modernisering tegenover traditie, verzakelijking tegenover de behoefte aan eigenheid en geborgenheid, de krachten van de gevestigde macht tegenover het voorzichtige begin van jongeren en nieuwkomers, de beangstigende chaos tegenover de inspirerende chaos.

Het is allemaal aan de gang, ook hier, en we kunnen ons er niet meer aan onttrekken. Amsterdam verandert, ja. Amsterdam verandert hevig, ja. Amsterdam verandert zelfs permanent, ja.
Maar toch blijft het wonder bestaan. Ergens heeft die stad ook zichzelf bewaard. De geest is gebleven, en daarin zal Amsterdam zich hervinden: in nieuwe vormen, in een nieuwe taal, in nieuwe mensen, maar ook in het oude licht over de grachten, in de oude vrijheid, in de geur van de nabije oceaan.

Ik dank u wel.

In 1995 beschreef Geert Mak de historie van Amsterdam in Een kleine geschiedenis van Amsterdam.