Enkele gedachten van een laag insect. Over non-fictie in de literatuur

Lezing gehouden tijdens het openbare gedeelte van de jaarvergadering van de Maatschappij in het Klein Auditorium van het Academiegebouw in Leiden op 16 mei 1998.

Dames en heren,

Matroos Luis Alejandro VelascoOoit, in het jaar 1955, in het verre Colombia, kreeg een jonge journalist van het liberale dagblad El Espectador de opdracht om een matroos te interviewen. Deze zeeman had als enige een scheepsramp overleefd, had daarna meer dan tien dagen zonder eten of drinken rondgedobberd op een vlot in de Caribische Zee, en was tenslotte wonder boven wonder weer heelhuids in de bewoonde wereld beland.

De matroos was als een nationale held het halve land rondgedragen, en in journalistiek opzicht was de man weinig meer dan een afgekloven bot. Toch, en misschien wel daarom, maakte de jeugdige verslaggever er iets bijzonders van. Hij interviewde de matroos niet een uurtje, maar hij besteedde er ettelijke dagen aan, en bovendien vroeg hij eindeloos door naar details - een methode die hij had afgekeken van de psychoanalyse. ‘Zag je geen vogels?’ vroeg hij bijvoorbeeld. En dan begon de matroos zich iets te herinneren, en dan kwam er een prachtig verhaal.

‘Ga maar eens lukraak op een plein zitten wachten of je soms een meeuw kunt verschalken. Dan kun je blijven zitten tot je een ons weegt’, zei de matroos dan tegen de jonge journalist. ‘Maar honderd mijl uit de kust is het een ander geval.’ De eerste meeuw streek bij hem neer op de vijfde dag van zijn vlotreis, toen hij al bijna stierf van de honger en dorst. De vogel was het eerste voedsel dat zich aandiende. Het was een kleine, speelse meeuw en hij pikte in zijn schoenen, trok aan zijn broek, en de matroos hield zich onbeweeglijk. Toen trippelde het dier naar zijn rechterzij, vijf, zes centimeter van zijn hand vandaan. De matroos hield de adem in en liet zijn hand vrijwel onmerkbaar naar de vogel glijden. Juist toen de meeuw onraad voelde en wilde wegvliegen greep de matroos hem bij de vleugel. ‘Alleen al de gedachte aan het meeuwenbloed deed mijn dorst in hevigheid toenemen’, vertelde hij. ‘Maar nu ik in mijn handen dat warme vogellijf voelde kloppen en in die ronde, grijze ogen keek, was ik niet meer zo zeker van mijn zaak.’ Uiteindelijk draaide hij het dier toch de nek om, het bloed droop over zijn vingers, het was moord, hij probeerde de veren te plukken, trok een glibberig stuk vlees uit een van de poten, maar kreeg het niet door zijn keel. Tenslotte gooide hij alles overboord.

Na vier dagen streek weer een meeuw neer op het vlot, een dikke oude vogel, die de matroos de hele nacht gezelschap hield en hem tenslotte zachtjes op het hoofd pikte, als een liefkozing. De matroos kon het niet laten, hij wist het dier te vangen, maar toen hij de verschrikte ogen zag liet hij de vogel vliegen. De volgende fragmenten van zijn verhaal hadden veelzeggende titels als: ‘Mijn arme lijf’, ‘Mijn gevecht met de haaien om een dode vis’ en: ‘Waar smaken schoenen naar?’

Meer dan veertig jaar later, aan de andere kant van de wereld, laat dit interview zich nog altijd lezen als een kleine, beeldschone novelle. De verslaggever, de toen zesentwintigjarige Gabriel Garcia Marques, zou later als schrijver wereldberoemd worden, maar toen was hij dat nog allerminst. Hij was gewoon een journalist, een hele goede journalist - hij wist en passant uit te vinden dat het betreffende marineschip helemaal niet was vergaan in een storm, zoals beweerd werd, maar dat het was omgeslagen omdat alle dekken volgestouwd waren met smokkelwaar - maar toch, een journalist. Zijn verhaal was, ondanks alle stilistische kwaliteiten, een nietverzonnen, journalistiek verhaal, een duidelijk geval van non-fictie. Prachtige, schitterende non-fictie, maar, althans in de ogen van sommigen, geen literatuur, geen letterkunde.

Letterkunde is blijkbaar iets anders. Letterkundigen vormen, om mijn collega-journalist Henk Hofland te citeren, nu eenmaal een hogere insectensoort. En u begrijpt hoe vereerd ik mij dan ook voel vanmiddag onder u te mogen verkeren.

Er bestaan twee misverstanden over de verhouding tussen fictie en literatuur. Het eerste misverstand luidt: alle fictie is literatuur. Afgezien van de auteurs van sommige streekromans zullen weinigen in deze zaal met deze stelling instemmen. Het tweede misverstand is echter populairder. Dit misverstand luidt: alle literatuur is fictie. Daar wil ik het vanmiddag met u over hebben.

Als de jonge Gabriel Garcia Marques, de latere Nobelprijswinnaar voor literatuur, in het hedendaagse Nederland had gewoond, zou zijn ‘Verhaal van een Schipbreukeling’ nimmer zijn genomineerd voor de Libris-literatuurprijs. Datzelfde zou gegolden hebben voor veel van het werk van John Steinbeck, voor Among the Believers van V.S. Naipaul, voor Herfsttij der Middeleeuwen van Johan Huizinga, voor In Cold Blood van Truman Capote, voor het journalistieke werk van briljante stilisten als Joseph Roth en Henk Hofland, en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Het misverstand dat literatuur min of meer identiek is aan fictie is typisch iets voor Nederland, en ik moet ook zeggen Duitsland. In de Angelsaksische literatuur is de non-fictie altijd een erkend genre geweest. In de Verenigde Staten bestond er een vloeiende overgang tussen journalistiek en literatuur - het werk van Mark Twain levert daarvan sprekende voorbeelden. Engeland heeft een lange traditie in reisliteratuur - wellicht mede onder invloed van het koloniale imperium, dat toch ook literair vastgelegd moest worden. In Frankrijk schreef Emile Zola soms pure reportageboeken, zij het in geromantiseerde vorm, zoals Lourdes, het verslag van een verschrikkelijke reis naar het geliefde bedevaartsoord in een trein vol gejammer, gesteun, stank, pus en etter. ‘Faites du reportage!’ riep Zola zijn jonge collega-schrijvers toe, als ze in een impasse zaten, en dat deden ze, niet zelden met groot succes.

Grote journalisten als Jack Londen, de gesjeesde dichter Alfred Londres en het wonderkind Joseph Kessel genoten een status die niet onderdeed voor die van grote literatoren. Kessel veroverde in één klap literair Parijs met zijn roman Belle du Jour, maar maakte met even groot gemak grote reportages over de slavenhandel in Ethiopië.

Ook in Nederland waren er rond de eeuwwisseling een heel stel schrijvers en journalisten op het schemergebied tussen non-fictie en literatuur actief. Eduard Douwes Dekker was een typische krantencolumnist. Louis Couperus heeft naast zijn bekende werk een heel stel reisverslagen op zijn naam staan. Aan de andere kant was daar bijvoorbeeld de journalist/romancier Bernard Canter van De Telegraaf - die met zijn reportage over de haringvangst zijn vriend Herman Heijermans inspireerde tot het klassieke Hollandse vissersdrama Op Hoop van Zegen.

En is de hedendaagse realiteit eigenlijk zoveel anders? Naarmate aan het eind van deze eeuw de vaste denkpatronen meer en meer vervagen, trekken de non-fictieschrijvers weer naar de vertelmogelijkheden van de literatuur, terwijl sommige fictieschrijvers steeds meer naar de non-ficitie toegroeien - bijvoorbeeld Adrie van der Heyden in zijn reeks De Tandeloze Tijd, Margriet de Moor in haar laatste boek over zigeuners. Tegelijk verscheen er steeds meer non-fictie die duidelijke literaire kwaliteiten combineerde met een historische en/of journalistieke inhoud. Bijvoorbeeld, ik doe maar een greep, Maerlands wereld van Frits van Oostrom, Hans Goedkoops biografie van Herman Heijermans, de reisverhalen van Cees Nooteboom, het werk van Gerard van Westerloo en van zijn collega's Lieve Joris en Koos van Zomeren, Darwins Hofvijver van Tijs Goldschmidt - genomineerd voor de ako-prijs, vertaald in Amerika, Duitsland en Japan -, het werk van A.Th. van Deursen, en zo kan ik nog wel even doorgaan. En langzaam groeit, gelukkig, ook in Nederland weer de erkenning van het fenomeen non-fictie.

Wat nu geeft een tekst - fictie of non-fictie - literaire kwaliteiten? Laten we nog eens naar het product van die jonge Marques kijken, die zesentwintigjarige ster van El Espectador. Het interview met die matroos heeft iets onbestemds, iets wat het een reikwijdte geeft boven het Bogota van 1955, iets zwevends, en dat effect wordt bereikt door een techniek uit de roman toe te passen. Het relaas van deze schipbreukeling zette Marques namelijk in de ik-vorm, en zo werd het interview een lange, innerlijke monoloog waardoor het veel meer kracht kreeg. Hij haalde meer stilistische trucs uit, maar deze was de voornaamste. Bovendien zette hij er een literaire titel boven: ‘Het Verhaal van een Schipbreukeling’.

‘Een creatief schrijver verenigt in zichzelf de waarnemer, degene die belééft, de verwerker en de vormgever’, schreef Hella Haasse - ook een groot non-fictieschrijfster - ooit over de literaire biograaf, en daarmee typeerde ze impliciet ook de literaire non-fictieschrijver. Een literaire tekst is volgens haar een tekst waarin, ik parafraseer, ‘niet de waarnemingen, gebeurtenissen en ervaringen van primair belang zijn, maar de betekenis die ze krijgen in de taalvorm’. Je kunt het ook anders zeggen: het gaat bij een literaire tekst om een inhoud die door de taalvorm als het ware een extra dimensie krijgt, om een permanente spanning tussen vorm en inhoud. Maar die inhoud kan dus, zowel in haar ogen als de mijne, zowel fictie als non-fictie zijn.

Heeft het dan nog wel zin een onderscheid te maken tussen tussen fictie en non-fictie? Garcia Marques vond die hele discussie onzin. ‘Ik heb’, zei hij ooit in een gesprek met Jan Brokken, ‘altijd met evenveel plezier aan mijn reportages gewerkt als aan mijn romans en korte verhalen.’ Toen hij allang een bekend schrijver was deed hij zelfs een keer het omgekeerde als wat hij met het interview met die matroos had gedaan: hij schreef een complete novelle in de vorm van een reportage, en zette er een journalistieke titel boven: ‘Kroniek van een Aangekondigde Dood’. ‘Journalistiek en literatuur maken gebruik van dezelfde elementen’, zei hij. ‘Ze maken altijd gebruik van mensen, of beter: van wat mensen overkomt.’

In mijn halfslaap, als ik enkel mijn gevoel volg, ben ik het volkomen met Marques eens. Wat kan het mij schelen of iets waar gebeurd is of niet, als het maar een mooi verhaal oplevert, of een knappe novelle, een mooi stuk tekst die het leven rijker maakt, daar gaat het toch om. Maar mijn verstand zegt iets anders. Ik denk namelijk dat het toch goed is beide genres enigszins uit elkaar te houden, juist in het belang van zowel de fictie als van de non-fictie.

Laten we beginnen bij de non-fictie. Het essentiële verschil met fictie is dat een verteller van non-fictie in de eerste plaats moet geloven in de feiten. Maar dan niet in de krantenfeiten, of de feiten uit de archieven of de universiteitsbibliotheken, maar in feiten in al hun complexiteit. Dat geloof in de feiten moet hij samenbrengen met het geloof in het verhaal. ‘Het verhaal is eigenlijk een verlengstuk van de feiten, het is datgene wat het geheugen reconstrueert, orde brengt in het verleden, betekenissen schept en aan elkaar koppelt’, zo omschreef de vroegere hoofdredacteur van het baanbrekende non-fictietijdschrift Granta, Bill Buford, dat proces bij hemzelf en sommige van zijn Granta-auteurs. Het verhaal is ook datgene wat de lezer bij de feiten en de hoofdrolspelers betrekt en betrokken houdt. En daarbij mag een non-fictieschrijver alle literaire technieken uit de kast halen die er maar zijn, alleen: de feiten moeten wel overeind blijven.

Want de prijs die betaald wordt voor het woordje non-fictie is hoog. Mensen die je als journalist tegenkomt zeggen het vaak lang niet zo treffend als in romans. En de historische werkelijkheid verloopt nu eenmaal niet altijd precies volgens de opbouw van een novelle. Non-fictieschrijvers worstelen voortdurend met het keurslijf van de realiteit. Maar dat is een eigen, vrije keuze, net zoals het er in de bergsport soms om gaat om een bepaalde top juist zonder hulpmiddelen te bereiken.

De realiteit waarbinnen de verteller van non-fictie noodgedwongen moet opereren is een onuitputtelijke bron van ideeën en verhalen, en soms is de realiteit zelfs te onwaarschijnlijk voor een goed verhaal. De ‘Nixontapes’ bijvoorbeeld, de letterlijk uitgeschreven gesprekken uit het Witte Huis in de Nixon-tijd, tarten niet alleen de reguliere geschiedschrijving, maar vormen ook een probleem voor andere non-fictieschrijvers: Nixon bleek namelijk in werkelijkheid zo gek te zijn, dat geen lezer dat meer zou geloven.

Iedere serieuze non-fictieauteur zal echter zonder meer toegeven dat zijn verhalen de oneindige mogelijkheden van de fictie missen. Ik ken het meeslepen van die loden bal van de realiteit uit eigen ervaring. Friezen, dakloze Amsterdammers en andere bewoners van verre vreemde landen, je kunt ze als non-fictieauteur alleen tot op zekere hoogte beschrijven. Hoeveel je ook met hen praat en optrekt, er blijft een zekere innerlijke grens. Emoties, drijfveren, dromen, de non-fictieschrijver moet zich beperken tot wat uitgesproken of waargenomen wordt. Wat er ten diepste in een mens omgaat blijft grotendeels het terrein van de fictie.

Wat bij de non-fictie de feiten zijn, is bij de fictie de verbeelding. Altijd staat bij de fictie de verbeelding centraal.

In 1984 verscheen Hersenschimmen, een roman die de auteur J. Bernlef grote roem zou brengen, maar ook de tot gekmakens gestelde vraag uit het publiek: ‘Bent u zelf een poosje dement geweest, dat u die gevoelens zo goed kon beschrijven?’ Of: ‘Kan het zijn dat u in een vorig leven aan de ziekte van Alzheimer bent overleden?’ Hij kreeg dat soort vragen zo vaak, dat hij er een grimmig essay aan wijdde: ‘Gedachten rond het realisme’, vorige maand verschenen in de bundel De losse pols. Nee, schreef Bernlef aan zijn publiek, en leer nu eindelijk eens een keer dat fictie fictie is, dat een roman nooit puur autobiografisch is, en dat zelfs een autobiografische roman dat niet is: geschreven leven is het leven niet. Nooit is het werk van een groot schrijver terug te brengen tot een simpel verhaaltje. Altijd wordt de verbeelding van de lezer aan het werk gezet, zijn fantasie, de kans om te ontstijgen aan de wereld van het bekende. Daarbij is de vraag of iets echt gebeurd is niet relevant.

Ik kan daar, als non-fictieauteur, alleen maar volmondig mee instemmen. Wat de roman betreft kan een al te realistische literatuurbeschouwing inderdaad, ik citeer Bernlef, ‘een regelrechte bedreiging voor literatuur en de schrijvers ervan vormen’. De roman bestrijkt terreinen die wij, non-fictieschrijvers, nooit kunnen betreden. Bijvoorbeeld: wat er omgaat in het hoofd van een dementerende. Bovendien: een werkelijk literair werk gaat niet ergens ‘over’, het ís er, en het staat ergens voor.

Dat iemand als Bernlef zo'n noodkreet slaakt is echter tekenend voor de dwang tot realisme, tot bekentenissen, tot persoonlijke onthullingen in de hedendaagse literatuur. Natuurlijk hebben talloze romanschrijvers hun persoonlijke geschiedenissen, plus die van hun familie en hun vrienden, geplunderd en uitgebuit tot ze erbij neervielen. Maar altijd zijn ze ook weer - tenminste als ze hun vak verstonden - met hun verbeelding op de loop gegaan, hebben ze als zwoegende laboranten bergen non-fictie omgevormd tot kleine, stralende hoopjes fictie. Natuurlijk gaan sommige auteurs nog een stap verder, en beschrijven ze hun leven en liefde puur zoals het in hun ogen was, als een roman zonder een greintje fictie.

Wat maakt dat het publiek in zo groten getale valt voor deze privé non-fictie? Waaruit komt deze vraag naar en drang tot realisme voort? Ik kan slechts twee oorzaken aanwijzen. De eerste is een verschijnsel dat we allen kunnen waarnemen en waarover we alleen al apart een hele middag kunnen praten: de almaar toenemende persoonscultus rond auteurs. Het lijkt soms, als men het literaire circus bekijkt, alsof het accent steeds meer op de auteur komt te liggen, en steeds minder op het boek.

De tweede oorzaak, die daar nauw verband mee houdt, is de nadruk die onze huidige cultuur legt op het ik, op het zelf, en daarmee ook op ik-boeken, en zelf-boeken, en zelf-beleefd-boeken. Door dit literaire narcisme wordt echter de verbeelding gekortwiekt, en het paradoxale feit doet zich voor dat met het centraal stellen van het ‘ik’ het onderzoek naar het ‘ik’ via de verbeelding schade lijdt.

Ik moet zeggen dat ook de non-fictie door deze neiging tot privé-realisme risico's loopt, al is het op een andere manier. Op het symposium over non-fictie dat het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds in november vorig jaar organiseerde klaagde een Amerikaanse non-fictie-uitgeefster over de immense toename van juist dat soort boeken. De cultus van het ‘zelf’, zei ze, vervaagt de grenzen tussen fictie en non-fictie op een onverantwoorde, troebele manier. Het is buitengewoon verontrustend, zei ze, dat bij de beslissing om een boek te publiceren het begrip ‘oprechtheid’ het begrip ‘waarheid’ heeft vervangen. En dat is een ernstige zaak, juist voor de non-fictie.

Want laten we duidelijk zijn. Zoals fictie fictie is, zo is de non-fictie in de eerste plaats non-fictie, ook de zogenaamde literaire non-fictie. Voor de schrijver van non-fictie is de confrontatie met de werkelijkheid een ontmoeting zonder vrijblijvendheid. Dat betekent dat er een stille afspraak met de lezer bestaat. En die afspraak - die vaak verscholen ligt in de presentatie, de opmaak of het gebruik van de term ‘reisverslag’ in plaats van ‘reisroman’ - houdt in dat de auteur zich aan de feiten houdt en dat het allemaal echt gebeurd is wat hij schrijft - althans, het komt in die buurt.

Dat maakt een verhaal extra spannend en pikant, maar de prijs is dat het soms minder mooi loopt, of dat bepaalde dingen onduidelijk blijven, of dat om redenen van privacy een bepaalde figuur minder goed uit de verf komt. Het betekent ook dat hij bepaalde bronnen soms niet kan gebruiken omdat ze het verhaal te zeer naar hun hand zetten. En ook, en vooral, dat hij de beperkingen kent van het menselijk geheugen, die willekeurig volgestouwde kast met herinneringen, die leugenbank van hersenweefsel, die fantastische kletskous en verteller.

Dames en heren,

In iedere straat in Amsterdam-West woont wel een Madame Bovary, heeft Karel van het Reve ooit gezegd, en zo is het precies. Laten we elk op onze eigen wijze met haar omgaan, de fictie en de non-fictie. Laten we met respect met haar omgaan, laten we elk haar verhaal vertellen, haar eigen verhaal. En bovenal: laten we helder zijn over onze intenties, tegenover elkaar, tegenover onszelf, tegenover onze lezers. Laat fictie fictie zijn, laat non-fictie non-fictie zijn, en laat de letterkunde aan ons allen.