2017 Jaar van de waarheid

Wat is er in hemelsnaam aan de hand in de wereld? Waar ging het mis met Europa, en wanneer? Geert Mak kijkt mee over de schouder van de historicus die dat over zo’n halve eeuw allemaal gaat opschrijven.

In de zomer van 2008, nu alweer bijna tien jaar geleden, kwam bij een auto-ongeluk een abrupt einde aan het leven van een fantastische mens, een groot Europeaan en ook nog eens een eminent historicus. Bronislaw Geremek belichaamde onze Europese geschiedenis als geen ander. Hij was de zoon van een Poolse rabbijn, overleefde als jongetje het getto van Warschau doordat hij nog net op tijd naar buiten kon worden gesmokkeld, was later hoogleraar middeleeuwse geschiedenis, ontwikkelde zich gaandeweg als een leidende figuur in de Poolse dissidentenbeweging, een jaar in de gevangenis, was na de Poolse omwenteling onder andere minister van Buitenlandse Zaken en daarna, als, een centrale figuur in het Europees Parlement, een groot voorvechter van een verenigd Europa.

Ik leerde hem exact tien jaar geleden kennen, in het voorjaar van 2007, tijdens een reeks lezingen over Europa. Naderland mailden we zo nu en dan, we zouden elkaar vaker treffen, dat wisten we zeker. En toen was hij dood. Toch zit Bronislaw nog vaak in mijn hoofd en zeker deze maanden, met zijn baardje en zijn felblauwe ogen. Hij wist waarover hij het had, een Europa zonder wet en recht, losgeraakt van iedere civil society, die jeugdervaring had zijn leven gevormd en bepaald.

Bronislaw hoorde nog tot de generatie – en die generatie komt over heel Europa voor – die aan den lijve ervaren had wat niet-vrede was,  niet-gemeenschap. Of  die hoorde tot de generatie van de vaders en moeders met hun wekelijkse of dagelijkse nachtmerries, over bombardementen of het front, het gaf allemaal niets, die indirecte gevolgen van de oorlog die ook zoveel levens bepaalden, die eeuwige familiegeheimen waarover nooit, zelfs nu nog niet, werd gespreken.

Deze Bronislaw Geremek had, zoals zo velen, die angsten omgezet in activiteit, in verzetsactiviteit en later in diplomatieke activiteit. Hij maakte zich zorgen over Europa, toen al. Hij zag het ‘nee’ van Frankrijk en Nederland in 2005 als het topje van een veel verder strekkende democratische crisis die enorme gevolgen kon hebben. Maar ik denk dat ook hij met verbijstering zou zijn geslagen als hij een blik had kunnen slaan op het Europa zoals dat er tien jaar later bij ligt. De euro is uitgelopen op een financiële en politieke nachtmerrie, de Britten bereiden een Brexit voor, in Athene en Madrid loopt bijna de helft van de jeugd werkloos rond, zwaarbewapende militairen patrouilleren door de straten van Parijs en Brussel, in Straatsburg passeer je weer grenscontroles, bij Sicilië verdrinken wanhopige de economische en politieke vluchtelingen bij duizenden, overal zetten nationalistische slogans de toon, grootschalige terroristische aanslagen jagen de angst keer op keer verder aan, twitter raast van de haat.

Waar ging het mis, en wanneer? Graag zou ik over de schouder willen meekijken van de historicus die dat over zo’n halve eeuw allemaal gaat opschrijven. Hij zal zich allereerst richten op de hoofdlijn, de veranderde wereldorde van de 21e eeuw. Eeuwenlang was immers de Middellandse Zee het centrum van de westerse wereld, met Italië in het midden. Vanaf de 16e eeuw verschoof dat centrum naar de Atlantische Oceaan, met Spanje als aanjager, daarna Engeland en weer later de Verenigde Staten. Nu verschuift de mondiale aandacht steeds meer naar de Pacific – met alle gevolgen van dien voor het oude, vergrijzende Europa.

Hij zal uiteraard  ook stilstaan bij de oorzaken binnen Europa zelf. Bijvoorbeeld de democratische steun voor de Europese Unie, die nooit goed werd geregeld. Het gevolg daarvan was dat de EU eeuwig en altijd een wankele staatkundige constructie bleef, een halve statenbond zonder de slagvaardigheid van een solide federatief verband. Binnen die beperkingen bleken de Europese politiek en diplomatie heel goed in staat om, met allerlei compromissen, regels op te stellen. Maar als er snel gereageerd moest worden op een of andere gebeurtenis was het systeem veel te log en te traag. En dan was er de euro. Ik zou me niets verbazen als onze toekomstige historicus die een centrale rol zal geven. Het was en bleef immers een politiek wangedrocht,  die euro, een eenheidsmunt zonder financiële en economische eenheid die de eurozone keer op keer onder hoogspanning zette. Een bron van zorgen en conflicten die bovendien het vertrouwen tussen noord en zuid zwaar aantastte en die de Europese agenda jarenlang zo zwaar belastte dat een positieve aanpak van allerlei andere gemeenschappelijke vraagstukken ernstig in de knel kwam.

Hij zal zeker ook de bankencrisis van 2008 noemen, de katalysator van een drietal crises die wat dieper onder de oppervlakte lagen: rond het Europese project, rond de democratie en rond de globalisering. Die bankencrisis was, daarbij, niet alleen een financiële crisis. Het was minstens zo sterk een massale psychologische crisis, waaraan geen reddingsplan iets kon veranderen. Je zou kunnen zeggen dat zowel de Amerikanen als de Europeanen zich toen begonnen te realiseren dat ze van de ene samenleving naar een andere waren verhuisd. En wel van een samenleving met een grote mate van onderling vertrouwen naar een samenleving vol wantrouwen, van een samenleving van optimisme naar een samenleving vol slechte voorgevoelens, van een samenleving waarbinnen bepaalde wetmatigheden golden naar een samenleving waarin alles onzeker was. Het was, in dat opzicht, een Atlantische crisis – misschien wel de laatste.

De verkiezing van Donald Trump zal in dat toekomstige geschiedenisboek evenmin ontbreken. Amerika trekt zich nu immers snel en resoluut terug uit dit deel van de wereld. Zoals de president, op zijn eigen subtiele wijze, in interviews zei: ‘Onze bondgenoten verdienen miljarden door ons te naaien. Een terugtrekking uit Europa zal ons land jaarlijks miljoenen besparen.’

Deze politiek kan het einde betekenen van het Amerikaanse imperium en het zal zeker een breuk zijn met een politieke lijn van meer dan zeventig jaar. Dat zoiets ooit zou gebeuren viel te verwachten – ook in dat licht was de deelname aan het JSF-project niet zo verstandig -  maar dat het zo snel en abrupt zou gaan verwachtte niemand. Europa is daarbij, vertrouwend op de eeuwige Amerikaanse paraplu, gemakzuchtig geworden. De grensbewaking en de defensie zijn jarenlang verwaarloosd. En nu die beschermende paraplu onverwacht inklapt merken we hoe kwetsbaar we eigenlijk zijn: aan de zuidflank een brandende Arabische wereld, aan de oostflank een agressief en gefrustreerd Rusland dat de komende tijd best weer eens een gewapend conflict kan opstoken in Oekraïne of, de hemel verhoede het, de Baltische staten. Het zijn scenario’s die bepaald niet onrealistisch zijn.

Veel Europese landen zijn echter, ook door die eindeloze Amerikaanse bescherming, helemaal niet meer gewend om met dit  soort geopolitieke problemen om te gaan. Voor de EU wreekt zich telkens weer het feit dat het besluitvormingssysteem niet of nauwelijks is ingesteld op onverwachte gebeurtenissen en calamiteiten. Nederland kent daarbij nog eens een lange geschiedenis van wegkijken – we zien onszelf het liefst als klein en onschuldig. Ik krijg telkens weer de indruk dat veel politici, journalisten en beleidsmakers, kibbelend over verdwenen bonnetjes en ander ongerief, nog altijd niet beseffen in welke bloedgevaarlijke situatie we met  zijn allen zijn beland. Overal bestaat een sterke neiging om zoveel mogelijk op de oude voet voort te gaan – ja, ook op dat vlak herhaalt de geschiedenis zich.

***

Als je bovenop de tijd wil zitten, met je neus op de plek waar de geschiedenis wordt gesmeed, waar moet je dan op dit moment zitten? Eind jaren tachtig, begin jaren negentig was dat duidelijk: Berlijn, Brussel, Warschau, Moskou. Maar nu? Volgens de conservatieve columnist David Brooks is op dit moment, opnieuw, de centrale plek van het wereldgebeuren het Oval Office in Washington DC. Dat zal wellicht niet lang duren, maar nu even wel. Daar zal namelijk de cruciale vraag van deze maanden worden beantwoord: kan de heer Trump worden verleid om op een enigszins rationele manier te regeren, of zal hij de wereld opblazen?

Zoals ik zei: de crisis schiep, met de globalisering, de automatisering en een nieuwe technologisch golf, een ander Europa en een ander Amerika. Op beide continenten bouwde zich daarover een grote woede op. Bij alle verschillen – en die zijn enorm – is er één constante factor: of het nu gaat om Britse mijnwerkers, Franse boeren, Nederlandse bejaarden of Poolse huisvrouwen, ze voelen zich verlaten en vernederd, in de steek gelaten door hun leiders, achtergelaten in de tijd.

De socioloog Karl Erikson beschreef al in de jaren zeventig het fenomeen ‘collectief trauma’, een gebeurtenis – het sluiten van een mijn, een reorganisatie, de leegloop van een plattelandsgebied – die, los van alle economische en materiële gevolgen, ook een breuk vormt met relaties en routines die generaties lang het leven bepaalden. Zonder deze sociale ankerpunten hebben veel mensen moeite om zin en doel aan hun bestaan te geven, ze voelen zich totaal gedesoriënteerd en ontworteld en hun diepste gevoelens zouden kunnen worden vertaald in drie woorden: ‘Let’s go home’. ‘Let’s go home, back to the good old days.’ En ze volgen iedere leider die belooft hen weer thuis te brengen. Maar er is geen ‘thuis’ meer, nergens.

In Amerika leven die gevoelens vooral in het zogenaamde ‘fly-over’ country, het straatarme Amerika van de niet-geziene families. Toen ik in 2010 kriskras door het land reisde, in het spoor van John Steinbeck, hoorde telkens weer mannen en vrouwen vertellen hoe ze in Steinbecks tijd, in die jaren zestig, sober leefden, maar dat ze banen hadden, en zekerheid, en vol hoop waren dat het voor hen en hun kinderen almaar beter zou worden. Nu is dat totaal omgeslagen. Het zijn nu jaren van wanhoop, en van verbittering over een Amerikaanse droom die zoveel beloofde en waarvan niets terecht kwam.

Deze nieuwe Amerikaanse president is, op dit moment, veruit het belangrijkste product van die ongetemde woede. Nog steeds benaderen sommige politici en media Donald Trump als een ‘normale’ president is met een paar rare afwijkingen, te vergelijken met Nixon, George W. Bush of Ronald Reagan. Die benadering is echter volstrekt misplaatst. Een presidentschap als het zijne is, in de hele Amerikaanse geschiedenis, nog nooit vertoond. Het is nogal wat, een Amerikaanse president die na amper een maand op ramkoers vaart met een aanzienlijk deel van zijn ambtelijke apparaat – inclusief zijn eigen inlichtingendiensten – en de rechterlijke macht, die met een paar tweets het hele internationale veiligheidssysteem op losse schroeven zet, die niets wil weten van de zwaarte van zijn ambt en de gecompliceerde gevolgen van zijn beslissingen, die geen nederigheid kent en geen verzoening maar, integendeel, voortdurend op zoek is naar kleine en grote conflicten. Iedere politicus wordt vroeger of later geconfronteerd met de overgang van mobilisatie naar machtsvorming en machtsuitoefening. Dat is vaak lastig, iedere staatsman moet daardoorheen. Bij Trump vindt die overgang echter in het geheel niet plaats. Een president die binnen 25 minuten slaande ruzie krijgt met de oudste en meest trouwe bondgenoot, Australië, is geen strateeg en geen staatsman, maar enkel een groot veiligheidsrisico.

Dit is echter niet alleen een zwarte komedie. Bij zijn aantreden hield deze nieuwe Amerikaanse president een opvallend bittere inaugurele rede. Iedere historicus die zijn literatuur kent ging overeind zitten: hier werd, opnieuw, een magisch bondgenootschap afgekondigd tussen een leider en ‘het volk’ – wat dat mistige begrip ook mag inhouden -, met uitsluiting van alle andere krachten die een democratie tot een democratie maken: de gekozen politici, de rechterlijke macht, de pers, de gedecentraliseerde eenheden met een eigen autonomie, zoals staten en steden. Het was een betoog waarin hij de basis legde voor een totalitair systeem. Niet Republikeins, niet conservatief of rechts, maar gebaseerd op het etnisch nationalistische gedachtegoed de alt-right aanhanger Steve Bannon, Trump’s naaste adviseur. En in Europa weerklinkt diezelfde echo, steeds sterker. ‘We zijn in oorlog,’ noteerde Steve Bannon keer op keer in zijn radio-show, en hij noemde het een ‘global, existential war’. Met de radikale jihadis en China, maar bovenal – zonder dat te zeggen – met de principes van de Verlichting. Het wachten is nu enkel nog op een zogenaamd Rijksdag-moment, een terroristische aanslag of een ander ernstig incident. Dan kunnen de remmen los.                                                                          

                                                                                          ***

2017 kan zo wel eens uitgroeien tot een jaar van de waarheid.

Zowel de Verenigde Staten van Amerika als, later, de Europese Unie kunnen worden beschouwd als grote historische projecten. Projecten waarmee vrije burgers proberen het verloop van de geschiedenis in eigen hand te nemen in plaats van die te ondergaan, projecten ook die hun oorsprong vinden in de idealen van de Verlichting, van de rechten van de mens, van de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap – ook internationale broederschap. Beide historische projecten, misschien wel het belangrijkste erfgoed van de Verlichting, worden nu zwaar bedreigd. Het is een gezamenlijk erfgoed dat we nu moeten verdedigen.

Decennia lang leefden velen van ons in de illusie dat vooruitgang, democratie en een toenemende geestelijke vrijheid hand in hand gingen. Dat blijkt niet langer het geval te zijn. Het blijkt mogelijk dat een regering die voortkomt uit vrije en eerlijke verkiezingen in staat is om de fundamenten van diezelfde eerlijke democratie te vernietigen. Er worden regelmatig vergelijkingen getrokken met de jaren twintig en dertig. Soms is dat met reden. Donald Trump hanteert bijvoorbeeld de oude ‘dolkstootlegende’, het vermeende verraad van de elites die voor alles verantwoordelijk zijn, weer met grote vaardigheid. Ook zijn oorlogsretoriek en zijn etnisch nationalisme passen naadloos in de bruine traditie - de Amerikaanse neonazi’s zijn niet voor niets dol op hem.

In ander opzicht zijn de verschillen echter groot. Het fascisme en het nationaal-socialisme waren bijvoorbeeld, ondanks al hun gruwelijkheden, ook bewegingen die, elk op een eigen manier, de moderniteit omhelsden en daaraan probeerden een eigen vorm te geven. Trump en zijn Europese navolgers leiden daarentegen nostalgische bewegingen, bewegingen die terugvluchten in de tijd. Als je al een vergelijking wilt maken kun je beter denken aan het Wilhelmische Duitsland, ook vol van agressieve nostalgie.

De zelfdestructieve capaciteiten, ook van een hedendaagse, democratie moeten we echter niet onderschatten. Er is een nieuwe term geïntroduceerd voor dit verschijnsel: de ‘illiberale democratie’, de uitgeklede en onvrije democratie die echter niet is overgegaan in een dictatuur – en dat wellicht ook niet zal doen. Ik vind dat begrip echter nog te vriendelijk. Het woord ‘illiberale democratie’ is in mijn ogen met zichzelf in tegenspraak.  Het wonder van de democratie is immers de vreedzame machtsoverdracht, telkens opnieuw. De meerderheid krijgt de macht, de minderheid kan dat accepteren omdat de meerderheid de rechten en vrijheden van de minderheid blijft respecteren en er, daarbij,  het perspectief blijft van een nieuwe vreedzame machtswisseling.  Een democratie is dan ook altijd in beweging, altijd is er spanning en discussie – vandaar dat ook een vrije pers van vitaal belang is voor iedere democratie. En, uiteraard, van een rechterlijke macht die deze vrijheden beschermt. Een illiberale democratie, met andere woorden, bestaat niet.   

                                                                          ***

In het Europa van 2017 is, goddank, de overgrote meerderheid nog altijd een overtuigd democraat. En een man als Trump is geen Poetin en geen Erdogan, hij handelt niet in een traditie van tsaren en sultans. Integendeel. Hij opereert in de democratische context van de Amerikaanse Founding Fathers die bijna twee en een halve eeuw geleden een stelsel ontwierpen dat er, via allerlei ‘checks and balances’, juist voor bedoeld was om dit soort totalitaire leiders effectief de pas af te snijden. De Amerikanen zweren, net als de meeste Europeanen, voor staatsfuncties geen eed aan een bepaalde persoon maar aan de constitutie, aan een stelsel van democratische principes. Nu moeten die democratische systemen, zowel in Europa als in de VS, echter laten zien dat ze, ondanks alle polarisatie en corruptie, nog steeds functioneren. Het zal erom spannen.

Er is echter meer nodig, en de urgentie is enorm. Het gaat, in deze strijd tegen het nieuwe totalitarisme, niet meer om links of rechts. Het gaat, ronduit, om onze fundamentele waarden en vrijheden. Iedere democraat, iedere vrije burger, zal zich daar nu op moeten concentreren.

In deze situatie zullen binnen Europa opnieuw allerlei culturele breuklijnen weer zichtbaar worden. Met name betreffen de verhouding tussen burger en staat – een verhouding die in elk Europees land weer een andere geschiedenis heeft en die overal anders wordt beleefd. Een Italiaan staat totaal anders tegenover zijn overheid dan een Brit, en datzelfde geldt voor Polen en Nederlanders. Datzelfde geldt voor het begrip souvereiniteit: hier oud en gevestigd, in andere delen van Europa nog maar pas bloedig bevochten.

Wij, Europeanen, kunnen deze gesprekken en discussies niet meer ontlopen. De kou waait om ons heen. Het is als in een huwelijk: op een bepaald moment moet je elkaar werkelijk in de ogen kijken. Het Europese project is vanaf het allereerste begin gebouwd op de grondbeginselen van de Verlichting, op de rechtsstaat, de democratie en de vrijheid van meningsuiting. Wij, Europeanen, zullen de komende maanden en jaren niet alleen meer gezamenlijke regels moeten verzinnen maar ook, steeds vaker, gezamenlijk moeten reageren op allerlei onverwachte ontwikkelingen. Dat betekent dat we, vaker dan ooit, een gezamenlijke politieke lijn moeten zien te vinden. En die lijn kan alleen gebaseerd zijn op een aantal gezamenlijk gedeelde grondwaarden. Daar kunnen we niet meer omheen.

Dit jaar, 2017, is de lakmoesproef. Komt de Unie met butsen en deuken maar redelijk intact door deze storm, dan is er hoop voor de toekomst. Vallen de lidstaten steeds verder terug in de oude reflexen dan is het grote Europese experiment voorbij, dan blijft het vermoedelijk bij een vrijhandelszone met, voor de rijkere landen, het gouden randje van de euro.

Er is, ondanks alles, nog altijd reden tot optimisme. Nog altijd trekt Europa, wil men erbij horen, wendt niemand zich ervan af.  De gezamenlijke verantwoordelijkheid waarnaar Bronislaw Geremek zo vaak verwees is concreet geworden: er is de afgelopen decennia, naast alle instituties, een Europese realiteit ontstaan, de realiteit van ontelbare netwerken van bedrijven, instellingen en mensen, dat immense Europese weefsel van contacten en uitwisselingen. Geen crisis neemt ons dat meer af.

Deze maanden zal opnieuw het uiterste gevraagd worden van de Europese leiders, met name van hun improvisatievermogen en hun flexibiliteit, nu de Europese instituties zo gebrekkig zijn opgetuigd voor wat er gaat komen. Goedkope stunts en prestigeconflicten kunnen we ons niet meer permitteren. We zullen het nodige moeten slikken. Het zij zo, als het maar in het Europese belang is. En vooral als wij, Europese burgers, het gevoel en de overtuiging herwinnen dat dit alles ook in ons gezamenlijke belang is. Dan zijn we tot veel bereid.

De jaren van vanzelfsprekendheid zijn voorbij. Het worden zware tijden. We moeten, net als ooit Bronislaw Geremek, onze angst omzetten in activiteit. We moeten scherp zijn en alert, we moeten stemmen, we moeten meedenken met en luisteren naar onze medeburgers, we moeten, bovenal, onze democratische instituties met hand en tand verdedigen. En we moeten elkaar niet loslaten.

 

Bronislaw Geremeklezing, uitgesproken op 14 februari in Utrecht.