Een bromtol die langzaam begon te zingen van zelfgenoegen

Fragment uit hoofdstuk 3 van De eeuw van mijn vader (1999).
 

Van haar vele merkwaardige eigenschappen wist mijn moeder er één tot haar dood toe verborgen te houden: ze was een fervent bewaarster van prentbriefkaarten. Als iemand haar een groet of gelukwens stuurde, een tekening van een hertje bij een kerk of een foto van de Boschweg te Nunspeet, dan bleef ze die kaart koesteren als de afzender zelf, met de Friese standvastigheid die haar eigen was. Dozen vol vonden we naar haar overlijden, alle kaarten, nooit had ze er één kunnen weggooien. En nu liggen ze om me heen.

Sommige kaarten dateren al uit haar kinderjaren - 'Je hebt netjes geschreven, hoor, ik kan wel zien dat je al groot begint te worden' - , op andere brengen stoomtreinen grote manden bloemen en rijden gezelschappen in prehistorische automobielen de jarige lachend tegemoet. Op één kaart heeft een aanbidder - een zekere Bertus - zijn knip- en plaklust botgevierd, en na meer dan tachtig jaar springt een boeket rode rozen uit het opengevouwen karton. Weer andere kaarten laten bijzondere gebeurtenissen zien: 'Marken, De Groote Watersnood van 1916, Omgeslagen visscherswoningen', 'Engelsche Kruiser, gestrand te Camperduin', 'Groeten uit Harskamp, Wachtparade'. Maar de meeste kaarten tonen niets anders dan het kalme, rustige Nederland zelf: de hoek op het Raadhuisplein te Bodegraven, de dorpsstraat van Lunteren, de nieuwe - Hollands Glorie! - brug over het Hollands Diep, prinses Juliana aan haar speeltafel.

Ansichtkaart van Hotel Laag Soeren.Een wereld glijdt voorbij, met honderden beelden, een wereld die doet denken aan het werk van de christelijke kinderboekenschrijver W.G. van der Hulst, een wereld van houten roeiboten, regenputten, bedsteden, klompen - behalve voor de dokter en de dominee -, paarden, voerlieden die 'hû' zeggen, moeders die kousen stoppen, kachels die snorren en sneeuwballen die in een woonschuit vliegen, een wereld van 'plekjes die niemand wist' en grote borden met verboden toegang.

Ik zie een hondenkar op Walcheren met twee meisjes in klederdracht en een molen op de achtergrond. het Amsterdamse Centraal Station met op de voorgrond enkel trams en voetgangers. Badkoetsjes op het Katwijkse strand. Het Leesmuseum te Apeldoorn. Een driehoeksmeting te Lunteren. Pension 'De Man' te Oostvoorne.

Het is een onbekend land dat ik zie. Het Nederland zoals we dat nu kennen moest nog helemaal vorm krijgen, en de eerste contouren zouden pas in de jaren twintig en dertig worden uitgelegd. De Kolenhaven met spoorbrug te Weert, maar het schip op de voorgrond heeft enkel een zeil, en op de kade zie je de schippersfamilie zwoegen met kruiwagen. Op de Zijlweg te Overveen nadert een eerste auto, en op het trottoir kijkt een dienstbode als verstijfd toe.

Ansichtkaart van ELTATussen de stapels vind ik een kaart van de 'AVRO-Machine' op de ELTA, de Eerste Luchtvaart Tentoonstelling Amsterdam, in augustus en september 1919. Hier maakte mijn moeder blijkbaar voor het eerst kennis met het verschijnsel luchtvaart, samen met een half miljoen andere Nederlanders: 'Dit toestel zie ik zojuist de lucht ingaan. Het is hier erg leuk.'

Wie goed naar de kaarten luistert, hoor de voetstappen van de passanten op de brug van Goedereede, het suizen van de wind in een zeil bij Hoek van Holland, het piepen van lijn 3 op de Haagse Bezuidenhoutseweg. De permanente ruis die nu grote delen van dit land overdekt, bestond niet. Geluiden konden in die tijd nog klinken, ze kwamen dikwijls vanuit een fundamentele stilte en ze verzonken daar ook weer in: de hamer van een smid, de roep van een voddenman, de wielen van een kar, een kind, het geknal van die eenzame auto in Overveen.

En door die geluiden klonken stemmen, honderden stemmen die me vanaf de achterzijde toespreken, vaak in een enkele zin, honderden telefoontjes uit de tijd dat er nog nauwelijks telefoon was, een kakofonie van ooit uiterst nuttige mededelingen.

   'De trein naar Vlissingen was een half uur te laat, maar bij Dordrecht kon ik toch 
    makkelijk aansluiten.'
    'Ik kan best tot woensdag blijven, want al het gestuurde goed is nog schoon.'
    'Er was te weinig saus, maar verder was het eten heerlijk.'
    'Morgen, zaterdag, naar Rijperkerk, lijkt me zo leuk!'
    'Wil je pa en moe hartelijk danken voor de lekkere appels die je voor ons hebt mogen
    uitzoeken?'
    'Heel prettige dagen. De pensionprijs (f 6,- per dag) is alleen stijfhoog.'
    ''t Loopt hier over van militairen in het grijs. Ikzelf wordt zo bruin als een melkster.'
    'Hattem kan nu zijn plagen verleren.'
    'Hoop woensdag aanstaande te arriveren met de Brielse boot van drie uur.'
    'Broer was erg blij met zijn potje, en Hampie met zijn kopje.'
    'Morgenochtend na het ontbijt vertrekken we naar pension Bergzicht in Lochem, waar we
    heel billijk kunnen logeren.'
    'Het heeft veel kracht gekost moe 't duin op te krijgen. Toch is het doel bereikt.'
   

En op 13-7-1913:

    'Heden hoorden we van Jeanne dat ge geslaagd zijn voor het
    toelatingsexamen hbs.'

Mijn grootouders van moederskant waren kinderen van de moderne tijd. De Van der Molens waren Friezen van eenvoudige komaf die zich met intelligentie, discipline en hard werken een positie hadden weten te verwerven in de hogere rangen van de nieuwe middenstand. Mijn grootmoeder was de dochter van een veldwachter die in Indië had leren drinken en daarna nooit meer verder gekomen was dan het plaatsje Balk. Mijn grootvader was afkomstig uit een bakkersgezin uit de Drachtster Compagnie waarmee het tijdens de landbouwcrisis van 1893 slecht was afgelopen. De oude Van der Molen had zijn klanten geen honger kunnen zien lijden, hij  ging op de fles en daarna sjouwde hij als knecht achter een bakkerskar zijn verdere leven door, tot hij in de zeventig was.

Mijn grootvader was, samen met zijn broer Petrus, tijdig aan deze treurdans ontsprongen. Ze werden onderwijzer. Als één soort mensen, achteraf gezien, het emancipatieproces van zowel de socialisten al de kleine luyden heeft getrokken, dan waren het wel de schoolmeesters. De latere ARP-senator Hendrik Algra maakt in zijn memoires melding van een Friese dorpsschoolmeester die, behalve hemzelf, maar liefst twee ministers - B. Roolvink en J. Algra - had 'opgekweekt'. Hij en de andere arbeiderskinderen uit zijn dorpsklas waren voorbestemd om ook weer landarbeider te worden, maar uiteindelijk hoefde niet één 'met de schop op de schouder' door het leven te gaan, en dat allemaal dankzij het onvermoeibare ijveren en regelen van die éne meester Van der Ploeg uit Wirdum. Bij de socialisten schreef in dezelfde tijd de Amsterdamse schoolmeester Theo Thijssen zijn klassiekers Kees de jongen, Het grijze kind en Een gelukkige klas, boeken die onderwijzer generaties lang zouden inspireren.

Zo waren er honderden, zo niet duizenden, en beide broers wilden maar al te graag deel uit maken van dit keurkorps. Petrus begon les te geven aan een armenschool en trouwde met Maaike Zandstra, de dochter van een van de oudste voorlieden van de SDAP. Avond aan avond was hij op pad als propagandist voor de sociaal-democraten, terwijl mijn tante Maai hem na schooltijd opwachtte met een pannetje eten.

Mijn grootvader koos voor de weg van aanpassing. Hij begon als onderwijzer op Flakkee. Voor bijlessen aan 'een stomme boerenknaap uit de klei' kreeg hij, zoals hij later zou schrijven, een kwartje per uur, twee gulden per maand. 'Wat waren wij toch eertijds met dat beetje blij! Intens gelukkig!' In 1897 was hij een van de eersten die in Wageningen een landbouwakte haalde, waarna hij overal op het platteland cursussen gaf over het gebruik van kunstmest, het inkuilen van gras en andere nieuwerwetsigheden.

Eind 1900, een paar maanden voor de geboorte van mijn moeder, verhuisde de familie naar Vlaardingen. Vanaf dat moment ging het snel bergopwaarts. Hij abonneerde zich op de liberale Nieuwe Rotterdamsche Courant, en hij zou die krant daarna meer dan een halve eeuw lezen, dag na dag.

Hij werd een gerespecteerd burger, lid van de Remonstrantse Broederschap, en in 1912 werd hij aangesteld als chef van de advies- en voorlichtingsdienst van de melkfabriek Hollandia. Rond 1915 lieten mijn grootouders een stadsvilla bouwen in de lommerrijke uitleg aan de Schiedamseweg, met een erker en een voortuintje met grint, en daaromheen een gesmeed hek met ijzeren punten.

Geboortedata zeggen niet alles over de sfeer waarin mensen leven. Als ik mijn grootvader Mak - geboren in 1860 - zou durven typeren, dan zou ik hem zien als een man van 1820, iemand die een levenswijze vertegenwoordigde die toen de boventoon voerde. Mijn grootvader Van der Molen - geboren in 1869 - was daarentegen typisch een man van 1890, en dat is hij ook altijd gebleven.

De familie Mak met uiterst links Catrinus Mak, Geert Maks vader.Mijn vader heeft zijn leven lang het gevoel gehad dat hij, als eenvoudige jongen van het Hoofd, zo'n deftig meisje van de Schiedamseweg eigenlijk niet waard was. 'Bij ons thuis: goed eten, goede kleding, maar alles puur burgerlijk,' zou hij meer dan een kwarteeuw nadien in een openhartige bui aan zijn oudste zoon schrijven. 'Geen goed boek, laat staan muziek. Ik moest hongerig naar bredere ontwikkeling alles zelf oppikken. Hoeveel heb ik in dezen wel niet aan je moeder te danken gehad, en aan de eerlijke, sociale, beschaafde omgeving van Vlaardingen.'
Toch konden mijn twee grootvaders het op de een of andere manier buitengewoon goed met elkaar vinden. Het waren vrome mannen die een vrije geloofsinrichting aanhingen, hetgeen hen samen kan hebben gebracht. Maar misschien werd die band vooral gevormd door het feit dat beiden echte negentiende-eeuwers waren en dat mijn 'deftige' grootvader Van der Molen bij mijn 'ambachtelijke' grootvader Mak veel herkende uit zijn eigen jeugd. Alleen: waar de laatste ophield, begon de eerste.

Het verschil tussen de familiecultuur van de Makken en de Van der Molens had alles te maken met de periode tussen 1820 en 1890, de zeven decennia die de negentiende eeuw bepaalden. Zoals de Makken hun bedrijf voerden , zo was ook hun familieleven: nuchter, vroom, patriarchaal, open en volledig gericht op arbeid en bedrijf. De Van der Molens waren moderner, burgerlijker ook. Godsdienst speelde, althans bij de meeste gezinsleden, slechts een marginale rol. In het gezinsleven bestond al een scherpe scheiding tussen arbeid en vrije tijd en tussen publiek en privé. Typerend voor de geslotenheid waren de interne koosnaampjes die ik op talloze briefkaarten terugvond: 'Pa', 'Moe', 'Hampie' (de oudste zoon Hattem, die later een hoge employé bij Philips zou worden), 'Zus' (Geertje, mijn moeder), 'Broer' (Ludzer, het nakomertje, de lieveling van mijn moeder).

Mijn moeder heeft weinig jeugdherinneringen opgeschreven. Ze vertelde me ooit over een tocht naar de Friese familie in Balk, met de Enkhuizer boot, en daarna verder met een huurkoets. Ook waren er bezoeken aan de 'rode' oom Petrus en aan haar grootvader de bakkersknecht, wat gegeneerde ontmoetingen in een klein arbeidershuisje achter in Leeuwarden. De koperen bruiloft van mijn grootouders in 1905. 'Ik zal toen een jaar of vier geweest zijn,' schreef mijn moeder ruim dertig jaar later. Ze wist nog dat het een zaterdagmiddag was, en dat haar ouders een koperen tafelschuiertje cadeau kregen. 'Verder zal 't wel slecht weer geweest zijn, want ik heb een vage herinnering aan een potdichte kamer en een warme kachel en een theelichtje in de hoek naast de schoorsteenmantel.'

Mijn tante Mien beschreef me de familie zoals ze die aantrof toen ze zich verloofde met Ludzer: een hecht gezin, een soepele vader met een grote belangstelling voor alles wat er in de wereld gebeurde en een tamelijk strenge maar zeer intelligente moeder die het geheel domineerde. 'Ze was zeer standvastig, zowel in haar vriendschappen als in haar vooroordelen,' hoor ik van mensen die haar nog gekend hebben. 'Die moeder Van der Molen, dat was een knappe, trotse vrouw,' zei mijn tante Maart. 'Die had haar dochter graag in een goede functie gezien. Ze lieten haar in Delft studeren, maar ja, toen bleef ze toch hangen aan zo'n zeilmakersjongen.'

Grootvader leest voor.Ik heb een foto voor me van de familie rond 1911. Mijn moeder zit helemaal rechts, gekleed als een meisje uit een Engelse kostuumfilm, met loshangend haar en een klokkend lijfje. Ludzer, een jaar of drie, zit in een matrozenpakje verveeld met zijn vingers te spelen. Mijn grootvader, een stevige man met een mooie donkere baard, leest voor uit een groot boek. Hattem, bijna 20, leunt op zijn schouder. Mijn grootmoeder houdt de ogen bijna gesloten. Haar gezicht dikt al wat aan, maar nog steeds zijn de trekken zichtbaar van het knappe donkerblonde meisje dat ze ooit was. Allen luisteren, allen zijn gericht op het Boek.

Een andere foto, in een tuin. Opnieuw heeft mijn grootvader een boek, maar nu heeft mijn grootmoeder een net handwerkje bij zich, oom Hattem heeft een viool en mijn moeder heeft ook iets om handen.

Ik moet denken aan een opmerking die mijn vader over zijn verlovingstijd en over de fantastische gesprekken die hij bij de Van der Molens aanhoorde, gesprekken waarin ze elkaar voortdurend gelijk gaven en zo een steeds grotere tevredenheid opriepen over elkaar en zichzelf, totdat de hele ruimte herschapen was in een grote bromtol die langzaam begon te zingen van zelfgenoegen.

Zoals zestiende- en zeventiende-eeuwse familieschilderijen altijd hondjes, schedels, zandlopers en andere tekens van deugd en vergankelijkheid bevatten, zo omringden de Van der Molens zich op deze foto's met symbolen van cultuur en hoogstaand leven. Want al waren ze nieuwkomers, ze speelden met verve de rol van aristocraten van de moderne tijd.

Er is een ander interessant aspect aan deze foto's, en dat is de houding van mijn grootvader. Veertig jaar later zou hij er namelijk nog precies zo bijzitten. Niet omdat hij zo lang jong bleef - als was hij een zeer vitale man -, maar omdat hij in 1912 al zo oud leek. Zowel mijn oom Petrus als mijn grootvader zouden in de halve eeuw tussen 1905 en 1955 nauwelijks meer veranderen. Hun huis zou gaan rimpelen, hun haar zou grijs worden, maar hun pakken, hun hoeden, hun schoenen, hun manier van lopen, zitten en staan zouden allemaal hetzelfde blijven. Rond hun vijfendertigste waren het, zoals alle mannen van hun stand, waardige en liefst al enigszins gezette heren die langzaam liepen, afgemeten praatten en nooit holden of zich haastten.

Zoals later, in tijden van grote veranderingen, 'jong en flitsend' de norm werd, zo was dat in die jaren 'oud en degelijk'. Als er voor een product al reclame werd gemaakt, dan gold 'nieuw' niet als een aanbeveling, maar juist het feit dat de maker 'van ouds bekend' was. iedereen deed zijn best er zo solide mogelijk uit te zien. De levenscategorieën hadden een totaal andere waarde dan vandaag, schreef Stefan Zweig in zijn memoires, en dat gold ook voor mijn ouders en grootouders. 'Een achttienjarige gymnasiast werd als een kind behandeld, werd gestraft als hij een keer met een sigaret werd betrapt, moest gehoorzaam zijn hand opsteken als hij zijn schoolbank wilde verlaten vanwege een natuurlijke behoefte; maar ook een man dertig werd nog als een wezen beschouwd dat niet op eigen benen kon staan, en zelfs een veertigjarige werd nog niet rijp geacht voor een verantwoordelijke betrekking. Dat wantrouwen, dat iedereen die jong was "niet echt betrouwbaar" was, bestond toen in alle kringen. Zo gebeurde er iets dat tegenwoordig bijna onbegrijpelijk is: jeugd werd voor elke carrière een belemmering, ouder zijn een voordeel.'

Koningin Emma in 1911 op 53-jarige leeftijd.Dit gold ook voor vrouwen. Iemand als koningin-moeder Emma veranderde vanaf haar dertigste nauwelijks meer, ze bleef er hetzelfde uitzien, of ze nu veertig was of zeventig. Met korsetten, baleinen, onderrokken en talloze andere hulpmiddelen werd iedere vrouw van stand in haar kleren tot 'dame' geperst, als een ridder in zijn harnas. Hoewel al die manipulaties de geslachtskenmerken - boezem, heupen - alleen maar accentueerden, verhulden ze tegelijk zoveel mogelijk de eigen vormen van een vrouw, en bij een meisje wisten ze zelfs alle jeugd aan het oog te onttrekken. Zelfs een zeventienjarige kon, door al die rijgsels en snoeren, zich weinig anders bewegen dan een vrouw van middelbare leeftijd.

Echt oud was, ten slotte, heel erg oud. In het Haagse Letterkundig Museum is een filmpje te zien van de schrijver Frederik van Eeden op latere leeftijd. Hij loopt gebogen, hij moet half ondersteund worden, kijkt vaag de wereld in, hij ziet er in onze ogen uit als een man van ver in de tachtig. Toch was hij op dat moment amper zeventig. Zeventig jaar was in die tijd stokoud.