Toen Nederland nog maar net Nederland was [fragment]

Fragment uit de inleiding van De Zomer van 1823 – Zwolle, 2000

Wie iets van de vroege negentiende eeuw wil begrijpen moet permanent voor ogen houden dat de toenmalige Nederlanders op een heel andere manier met omgingen met het verschijnsel tijd. Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp hadden doorgaans een stevig dagritme: om een uur of vijf stonden ze op, om acht uur 'ochtends hadden ze vaak al een heel stuk gelopen. Al het daglicht moest worden uitgebuit, want huis- en straatverlichting was er nauwelijks.

Dat andere tijdsritme werd ook bepaald door het trage vervoer en het lange wachten, overal, bij sluizen, bruggen, in een schuit, bij storm en regen. In Van Lennep's verslag duiken alle toenmalige middelen van transport wel een keer op. De jongens suffen op een regenochtend in de trekschuit van Leeuwarden naar Dokkum, ze hobbelen in karren en diligence's, ze stuiven met een vissersschuit over de Zuiderzee. Het verslag bevat prachtige beschrijvingen van de sfeer tijdens die reizen, van de traagheid van het bestaan, van het oponthoud bij tollen en pleisterplaatsen.

Men kon de tijd niet naar zijn hand zetten, men moest vertraging accepteren als een deel van het leven, en dat schiep een andere levenshouding. Snelheid was niet de allesbepalende norm. Alle grotere wegen waren bezaaid met tolhekken. De diligence, het snelste vervoermiddel van die tijd, had zes uur nodig om van Utrecht naar Den Bosch te rijden.

In deze periode, vlak voor de komst van de spoorwegen, moet het op de wegen vaak vol en druk geweest zijn. Uit bewaard gebleven tolregisters blijkt dat er met name een levendig voetgangersverkeer bestond. Voor al die wandelaars bestond er een flinke infrastructuur van logementen en herbergen. Lopen was voor de meeste mensen - uitgezonderd de rijken - nu eenmaal de meest gebruikelijke manier van zich verplaatsen. Ook Jacob en Dirk bereisden het grootste deel van hun route te voet. Vooral in het begin - later krijgt Van Hogendorp voetproblemen - leggen ze dagelijks forse afstanden af, niet zelden 35, 40 kilometer, en daarna nemen ze nog eens alle tijd voor een stadswandeling en het bezoek aan een of andere notabel.
De hele structuur van dorpen, steden en wegen was echter ook op loopafstanden ingesteld. De afstand van het ene dorp naar het andere werd niet in kilometers uitgedrukt, maar in looptijd. Veel dorpen lagen op weinig meer dan 'een uur gaans' van elkaar, marktplaatsen zelden op meer dan vijfentwintig kilometer, zodat iedereen nooit veel meer dan twee uur gaans - plm twaalf kilometer - van een markt en een bestuurlijk centrum vandaan woonde. Verder kwam de gewone Nederlander zelden of nooit.
 
Naarmate Van Lennep en Van Hogendorp verder vorderen beginnen hun voetreis-aspiraties te verwateren. Steeds vaker maken ze gebruik van andere soorten van vervoer. Allereerst en bovenal was dat de trekschuit, het unieke transportsysteem van de Nederlandse kustprovincies waarover buitenlanders niet raakten uitgepraat. Zo'n trekschuit ging niet sneller dan zo'n zeven, acht kilometer per uur. (Dit met uitzondering van de 'vliegende schuit' tussen Amsterdam en Utrecht, die werd aangejaagd met galopperende paarden, de TGV onder de trekschuiten.) De voordelen waren echter groot: de schuiten voeren frekwent en op tijd, ze waren relatief goedkoop, verbindingen sloten vaak goed op elkaar aan, en het hele netwerk functioneerde met de betrouwbaarheide van een uurwerk.

Trekschuit tussen Den Haag en Delft, 19e eeuw.

Pas in de loop van de negentiende eeuw begon de trekschuit aan populariteit te verliezen. De wegen werden beter, de koetsen werden sneller en gerieflijker. Gaandeweg begon rond de trekschuit het bedompte beeld te hangen dat Hildebrand beschreef in zijn Camera Obscura: 'De roef is de ware atmosfeer voor alle mogelijke vooroordelen, de geschikte bewaarplaats van alle verouderde begrippen, de kweekschool van allerlei lelijke, lage gebreken. Daar zijn voorbeelden van mensen, die door te veel in trekschuiten te varen, lafhartig, kruipend, gierig, koppig en kwelgeesten zijn geworden.' De opkomst van de trein, na 1839, was de doodsteek voor dit vervoerssysteem.

Als er geen schuit voer - en in landprovincies als Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant was dat regel - was lopen meestal het enige alternatief. Postkoetsen en diligences gingen veel minder frekwent dan trekschuiten, en bovendien waren ze voor de gewone man te duur. Vanuit Groningen kostte de zes uur durende reis per diligence naar Leeuwarden bijvoorbeeld  f 3,60. Een enkeltje Amsterdam kostte f 8,50. Het dagloon van een arbeider lag ergens tussen f 0,50 en f 1.-.

Bovendien was het reizen in een diligence vaak allesbehalve een pretje. In 1815 lag er in Nederland minder dan vijfhonderd kilometer klinkerweg. In Limburg en de vier noordelijke provincies ontbrak zelfs iedere verharde weg. Het was een voortdurend hotsen en dansen door kuilen en karresporen, om van de modder maar te zwijgen. 's Winters werd er dan ook zo min mogelijk gereisd - een stad als Leeuwarden was in sommige winters bijna onbereikbaar. Bij Den Bosch was, aldus Van Lennep, de weg zelfs midden in de zomer zo 'taai' en 'moeraslijk' dat de wielen van de postkoets bijna niet konden draaien.

De diligences probeerden deze hindernissen te nemen door de vaart erin te houden. Zelfs 's nachts werd er zo hard mogelijk gereden, met alle ricico's van dien - botsingen, asbreuken, omslaan van de wagen, op hol slaande paarden. Op de wisselplaatsen was het vier en twintig uur per dag druk. Met veel geraas en bravoure kwamen de koetsiers - vaak dronken - aanstuiven, want snelheid was een zaak van prestige. Maar die vaart was uitzonderlijk in deze zo tijdsloze tijd.

Jacob van LennepEr was nog iets opvallends aan het Nederland van 1823: het was nog maar net Nederland. Vanaf 1795 was het land officieel één natie, maar dat was vooral een staatkundige constructie. In hun hart leefden de meeste gewone Nederlanders nog in de Republiek van de Zeven Provinciën, met zelfstandige steden, eigenwijze provincies die zelfs een eigen buitenlandse politiek konden voeren en met het katholieke Brabant en Limburg als ondergeschikte 'generaliteitslanden'. Men was burger van een stad, lid van een dorps- of streekgemeenschap, maar slechts weinigen hadden het idee 'Nederlander' te zijn.

De nationale gevoelens waarvan Van Lennep en Van Hogendorp vervuld waren bestonden vooral bij de protestantse élite in Holland. Deze toplaag hing echter nog sterk aan het oude beeld van de Zeven Provinciën. Hoe verder men landinwaarts woonde, hoe armer en katholieker de bevolking was, des te meer hing men aan de regionale identiteit. In Limburg was 'Nederland' tenslotte wel heel ver weg.

Al datgene wat de Nederlanders in de negentiende eeuw zou samenbinden - de aanleg van kanalen en rijkswegen, het onderwijs, de algemene dienstplicht, de opkomst van nationale kranten en tijdschriften, de nationale taal, de half plaatselijke, half nationale gezelschappen als Het Nut van het Algemeen - het stond allemaal pas in de kinderschoenen. Zelfs de klokketijd verschilde tussen de diverse regio's: als de jeugdige heren uit Deventer in Arnhem aankomen merken ze dat 'de klokken dezer stad en van Deventer drie kwartier scheelden'.

Formeel was de meeste macht gecentraliseerd, maar in de praktijk werden notabelen - burgemeesters, rechters - enkel uit de eigen stad benoemd. De plaatselijke élites hielden zo de touwtjes strak in handen, tot ver in de negentiende eeuw.

In Van Lennep's reisverslag spelen regionale grenzen dan ook een grote rol, terwijl weinig merkbaar is van nationale grenzen. Als ze van Overijssel Duitsland binnentrekken is er niets van een grenspost te bekennen, maar midden in Zeeland krijgen ze grote ruzie met een veldwachter als ze hun paspoort niet kunnen laten zien. In Drenthe en Brabant verstaan ze niets van de taal. Op het Groningse platteland horen de jongeheren sommige boeren platduits spreken, een bejaarde wordt gegroet met 'dag Alter' en de studenten hebben er de Pruisische cultuur van het 'snijden' overgenomen. Friesland vinden ze een in zichzelf gekeerd stuk buitenland, in de woorden van Van Lennep 'in stijfhoofdige lof van al wat Fries is, in onkundige verachting van al wat uitheems is'. Brabant zien ze nauwelijks, Limburg helemaal niet. België - dat sinds in 1815 officieel deel uitmaakt van de Nederlandse eenheidsstaat - bestaat voor hen zelfs niet.

Hoe gebrekkig Nederland in het begin van de negentiende-eeuw aaneengeweven was waren blijkt, merkwaardig genoeg, uit de verbreiding van epidemiën. Negen jaar na de tocht van Van Lennep en Van Hogendorp, in 1832, brak voor het eerst in Nederland cholera uit. Met de gebrekkige verbindingen van toen verliep de verbreiding uiterst traag. Het eerste geval deed zich voor in Scheveningen, en het duurde maar liefst zes weken voordat de ziekte in aangrenzende provincies als Noord-Holland, Zeeland, Noord-Brabant en Utrecht opdook. In het mobiele Nederland van nu zou zo'n uiterst besmettelijke ziekte vermoedelijk binnen enkele dagen in alle hoeken en gaten van het land heersen.
 
Het was, al met al, een wereld van Totale Zekerheden waar de jongeheren doorheen liepen. De scheiding in standen maakte daar een belangrijk onderdeel van uit. Van Lennep's hele reisverslag is doortrokken van standsbesef, en wel standsbesef als vanzelfsprekendheid. Ze krijgen in herbergen meestal de beste kamers - ze worden erg boos als dat niet gebeurt -, ze dollen met veldwachters en vrederechters en 's zondags in de kerk worden ze geregeld door de plaatselijk notabelen in de zogenaamde 'regeringsbank' genodigd. Soms kleden ze zich in een 'blauwe kiel', of ze verpozen in een herberg waar ze eigenlijk niet thuishooren. Soms ook brengt Van Lennep een beeldschone gouvernante even het hoofd op hol - allemaal gedoe ver beneden zijn stand. Maar dat is allemaal een onderdeel van de verkenning van de grotemensenwereld. Uiteindelijk weten ze hun plaats, en die van iedereen om hen heen.

'Stand' was een merkwaardig begrip, een uitgewogen combinatie van afkomst, opleiding en relaties. De top, waar Van Lennep en Van Hogendorp mee omgingen, werd gevormd door de adel en grote burgerij - regenten, hoge ambtenaren, academici, ongeveer drie procent van de bevolking. Dan was er de kleine burgerij - winkeliers, zelfstandige ambachtslieden, onderwijzers, ongeveer een kwart van de bevolking. Vervolgens de zelfstandigeboeren - ook ongeveer een kwart - en de werklieden met een vaste baan - ongeveer een vijfde. En helemaal onderaan stonden  de losse arbeiders, het proletariaat en de paupers - bijna een derde van de bevolking. 

Aan de kleding, de taal, het genoten onderwijs en andere codes kon iedereen snel de 'stand' van een nieuwkomer aflezen. Als Van Lennep en Van Hogendorp in de herberg bij Meppel twee leuke jongedames ontmoeten weten ze direct dat die twee tot het Netwerk behoren - het kost hen alleen even tijd om uit te wissen om wie en om welke familie het precies gaat.

Soms gaat er ook iets mis. Op het eiland Marken wordt Van Lennep bijvoorbeeld door de bevolking aangezien voor de koning in cognito: 'Kaik, dit is nou Zen Hooghait!' Naarmate hun toch vordert lijkt hun uiterlijk echter slonziger te worden, en hun tint bruiner: in Zeeland worden ze uiteindelijk bijna opgepakt omdat de veldwachter hun stand niet meer herkent.

Gulden uit 1823Geld speelde een belangrijke rol - zonder geld was het onmogelijk om aan de sociale  verplichtingen van de betere stand te voldoen - maar doorslaggevend was het niet. Iemand die rijk uit de koloniën terugkwam werd niet zomaar in hogere kringen geaccepteerd, terwijl arme maar oude adel altijd welkom was - zoals bijvoorbeeld de verpauperde freule Van de Poll in het landgoed bij Borculo,'waar de rotten over de vloer wandelden'. Die starre scheiding in leefwerelden maakte Nederland extra onbewegelijk, op het benauwde af. Opklimmen, carriére maken, het was in deze situatie buitengewoon moeilijk. Een enkeling glipte door de barriéres heen - het ambt van predikant was om die reden zeer gewild - maar over het algemeen was de sociale mobiliteit zeer gering.

Nederland bestond zo eigenlijk uit meerdere subculturen, die strikt gescheiden van elkaar optrokken. Van Lennep en Van Hogendorp lijken bijvoorbeeld opvallend weinig problemen te hebben met de diverse streektalen die toen gangbaar waren. Vermoedelijk is de reden simpel: werkelijke gesprekken voerden ze alleen met leden van de hogere standen, min of meer ontwikkelde mensen die zonder uitzondering het algemeen beschaafd Nederlands beheersten. Vrijwel alle personen die ze bezoeken zijn of oude studievrienden van Van Hogendorp, of familieleden van Van Lennep. Van Lennep komt zelfs enkele keren bij toeval tantes en nichten tegen, die per koets op doorreis zijn.

Zelfs tussen de twee vrienden valt soms enig standsverschil waar te nemen. Meestal is de patriciërszoon Jacob van Lennep haantje de voorste, maar als de verhoudingen moeten worden vastgesteld is het altijd graaf Dirk van Hogendorp die onwillige herbergiers afblaft, en veldwachters die hun plaats niet weten een lesje leert.

Een enkele keer maakt Van Lenneps reisverslag melding van een wat diepgaander contact met iemand van een andere stand. Bijvoorbeeld bij Monnikkendam, waar ze oplopen met een 'daghuurder' die 'zeer verstandig' spreekt 'over onderscheidene zaken, zijn stand betreffende', bij Bolsward waar ze een marskramer ontmoeten, in Frederiksoord waar een kolonist, een veteraan, hen zijn levensverhaal vertelt. In Bad Bentheim vallen de grenzen tussen de standen even weg, zoals dat gebruikelijk was in een kuuroord. Hier valt Jacob van Lennep helemaal uit zijn rol van inspecteur en vertegenwoordiger van de protestantse elite. Hij is er de gangmaker op feesten, zingt, zuipt, kruipt over de grond, smijt met geld en verspeelt kapitalen. De snakerige Van Lennep van latere jaren, die de liederlijke feesten bij koning Willem III frequenteerde, komt hier uit zijn schulp. Van Hogendorp blijft daarentegen de moralistische tobber, onttrekt zich grotendeels aan de pret en noteert over Bad Bentheim welgeteld één regel: "Deze uitstapjes behoren niet tot het doel van mijne reis en dus niet tot mijn journaal."

De goede lezer heeft al eerder onderlinge ergernissen gezien, al is het enkel in de vorm van kleine stekeligheden, half tussen de regels. In Bad Bentheim worden de karakterverschillen tussen de reizigers steeds duidelijker. Ze houden het samen nog anderhalve maand vol, al is het de vraag of hun vriendschap deze voetreis heeft overleefd.