Ter vergelijking: de kleine geschiedenis van de angsthandelaar Joseph McCarthy

‘Opvallend in deze hele geschiedenis zijn, achteraf gezien, de rollen van de politiek en de media. Bijna alle politici, ook degenen die walgden van McCarthy, bogen mee met de storm. Hij wist bovendien precies wat de verslaggevers wilden, hij gooide ze dag na dag nieuws en hapklare citaten toe, en ze vraten alles, al wisten ze zelf wel beter.’

Joseph McCarthyDe meest legendarische angsthandelaar uit de recente geschiedenis was de Amerikaanse senator Joseph McCarthy. Zijn loopbaan was kort. Zijn hele roadshow – want uiteindelijk was het niet meer dan dat – duurde amper vijf jaar, van 1949 tot 1954. Maar nog decennia lang zou de stank van zijn brandstapels blijven hangen.

‘Het was een gemene tijd. Het land was klaar voor heksenjachten,‘ schreef de journalist en historicus David Halberstam over het jaar 1950. De euforie over het einde van de Tweede Wereldoorlog was voorbij,  China en Oost-Europa waren overgenomen door communistische regimes, de angst voor het ‘rode gevaar’  groeide met de dag. Toen de Sovjet-Unie op 29 augustus 1949 – veel eerder dan verwacht - het Amerikaanse atoommonopolie doorbrak, en ook een bom liet ontploffen, raakten veel Amerikanen in de greep van een soort morele paniek.

Binnen de Republikeinse partij beseften sommigen dat hier, na twintig jaar Democratische overmacht, eindelijk nieuwe kansen lagen. Het startpunt was een exemplarische botsing met de zittende elite. Op 3 augustus 1948 wees een zwetende, slecht geklede oud-communist, Whittaker Chambers, tijdens een zitting van de Commissie voor Onamerikaanse Activiteiten, met de vinger naar Alger Hiss, een bekende Roosevelt-adviseur. Hij zou ook een communistische agent zijn. Alger Hiss, deftig, bekakt en arrogant, ontkende Chambers ooit ontmoet te hebben. Hij kreeg steun van de vrijwel hele Democratische top, inclusief president Truman zelf. Het jeugdige commissielid Richard Nixon toverde echter steeds meer bewijzen boven tafel, en uiteindelijk werd Hiss – vermoedelijk terecht - veroordeeld wegens spionage.

Het werd de grote doorbraak voor Richard Nixon en zijn nieuwe Republikeinse verhaal: Roosevelt heeft Amerika en Europa verkwanseld; de slappe Democratische elite is blind geweest voor het oprukkende rode gevaar; de morele waarden van het gewone Amerika zijn verraden. En nu zijn de communisten overal: in bedrijven, kantoren, bij de overheid, bij de kranten, zelfs in Hollywood wemelt het ervan.

Op die basis begon Joseph McCarthy met zijn kruistocht. Kort na de veroordeling van Hiss, op 9 februari 1950, verklaarde hij in een toespraak dat er op het State Department ‘meer dan tweehonderd’  communisten werkten.  Daarna ‘ontmaskerde’  hij, met veel gevoel voor drama en theater, overal ‘rode infiltranten’: op de universiteiten, binnen het Pentagon, op Broadway, bij de film, de radio en de televisie, later ook bij de Verenigde Naties. Talloze carrières van onschuldige Amerikanen werden gebroken. Charley Chaplin en vele anderen gingen in ballingschap.

Aan de opsporing van echte spionnen – want die waren er wel degelijk - heeft McCarthy echter niets bijgedragen. Hij produceerde weinig meer dan angst en  krantenkoppen, schrijft David Halberstam. ‘Na duizend toespraken en duizend beschuldigingen was het laatste ding ter wereld dat hij waarschijnlijk kon herkennen een échte communist of een échte spionagecel.’ Of, zoals George Reedy schreef, een journalist die veel met hem optrok: ‘Hij kon Karl Marx nog niet onderscheiden van Groucho’.

Uiteindelijk werd het voor iedereen te dol. Zelfs generaal George Marshall, van de beroemde Marshallhulp, maakte in McCarthy’s ogen deel uit van een ‘infame’ communistische samenzwering’. In 1954 beweerde hij dat ook het leger op grote schaal door communisten was geïnfiltreerd, maar  voor het oog van de camera’s kon hij, desgevraagd, geen enkel bewijs laten zien. De advocaat van het leger, Joseph Welch, deelde tijdens die zitting de beslissende klap uit: ‘Senator, u hebt genoeg aangericht.  Rest er bij u eigenlijk nog enig gevoel van fatsoen?’

De ballon liep leeg. Joseph McCarthy werd in december 1954 door de Senaat gedesavoueerd, raakte steeds zwaarder aan de drank, en stierf drie jaar later. Aan het eind van zijn leven zou hij zich, op wonderbaarlijke wijze, alsnog bekeren tot het liberalisme.
 
Opvallend in deze hele geschiedenis zijn, achteraf gezien, de rollen van de politiek en de media. Bijna alle politici, ook degenen die walgden van McCarthy, bogen mee met de storm. De Kennedy’s steunden hem. De Republikeinse partijprominenten wendden zich genegeerd af, maar pakten hem niet aan – hij deed immers voor hen het vuile werk. Zelfs de liberale Eisenhower miste de moed om het voor zijn vriend en mentor George Marshall op te nemen. Tien jaar na zijn dood gingen de Democraten volop door met de Vietnamese oorlog, enkel om te bewijzen dat ze niet ‘soft on Communism’ waren.

Dan de pers. Door de meeste journalisten – een paar moedige uitzonderingen daargelaten - werd Mc Carthy vrijwel nooit tegengesproken of uitgedaagd om zijn beschuldigingen te onderbouwen. Hij wist precies wat de verslaggevers wilden, hij gooide ze dag na dag nieuws en hapklare citaten toe, en ze vraten alles, al wisten ze zelf wel beter. ‘McCarthy was een droomverhaal,’  zou een van hen zich herinneren. ‘We waren niet van de voorpagina te branden, vier jaar lang.’

Er was in die periode inderdaad sprake van landverraad, ja. Maar dan vooral van de media, die hun kritische taak verloochenden en die deze veenbrand van haat, angst, leugens en bedrog bleven aanjagen.  Totdat het oud nieuws was.

20 april 2010