Alles is te koop

Brief aan mijn oudtante, Maaike van der Molen – Zandstra
Uit de bundel Alles is te koop – Amsterdam 1992

 
Lieve tante Maai,

Grouw, 1991Laatst was ik in Grouw, en altijd als ik in Grouw ben moet ik aan u denken.

Ik denk dan aan al die avonden dat u en oom Petrus, na het werk, van dorp naar dorp vergaderingen afliepen en stuivers en centen verzamelden voor de beweging. Aan de coöperatie, waar u altijd alles kocht, want dat was van ons allemaal samen - hoewel u later wel eens bang was dat ze een scheutje drank in de gebakjes deden. Aan alle plannen, huizen, scholen, misschien een klein bibliotheekje, ik weet niet waar u allemaal mee bezig bent geweest in die jaren.

Maar vooral denk ik aan de boot die oom Petrus een keer op een zomerse zondag huurde, voor de kinderen van de school waar hij meester was. Zijn hoop was dat de ouders ook mee zouden gaan, en dat de vaders zo een zondag uit de kroeg zouden blijven. Met zijn hele maandsalaris had hij zich borg gesteld voor het project, het moet rond 1905 geweest zijn, en hij stond de avond tevoren doodsangsten uit dat het zou gaan regenen. Maar toen het dag geworden was straalde de zon, en oom Petrus stond bij de loopplank met een nieuwe witte pet, en zijn kinderen kwamen, in drommen, en hun ouders ook, en met een juichende boot zijn ze toen naar Grouw gevaren.

Zo denk ik nog vaak aan u, maar nu moet ik u iets vertellen. Grouw is verkocht. Ik bedoel: de camping aan het meer, die de gemeente tientallen jaren lang geëxploiteerd heeft voor de kinderen en de kleinkinderen van die boot, en voor duizenden anderen. In de jaren dat uw generatie het nog voor het zeggen had, nam de gemeenteraad het principebesluit om deze gemeenschappelijk grond ook ten nutte van de gemeenschap te laten exploiteren, en om daarom de kampeerprijzen schappelijk te houden. En zo is het ook gegaan, daar in Grouw, vele jaren lang, en hele families konden er iedere zomer opnieuw voor betrekkelijk weinig geld met vakantie. Het was geen luxe camping, maar er was nergens een slagboom te bekennen en er heerste een eigen, intieme sfeer.

Maar al die mensen met hun bungalowtentjes, hun caravannetjes, hun uitbouwtjes en hun voorzichtige tuintjes moeten nu weg. De gemeente heeft het terrein verkocht, en er komt nu een jachthaventje voor de happy few, en een handvol dure bungalows. Waarom? Niemand weet het. De gemeente is slecht bij kas, maar van deze transactie zijn ze nauwelijks wijzer geworden, want de vijf miljoen zilverlingen die ze voor dat de campinggrond gekregen hebben zijn grotendeels weer opgegaan aan de bouw van een voetgangersbrug naar het nieuwe terrein. De exploitatie vertoonde geen tekorten, al was enig groot-onderhoud dringend noodzakelijk - maar dat konden de kampinggasten zelf ook wel opbrengen. De Grouwster middenstand wordt er ook geen cent wijzer van, want drie á vierhonderd arbeidersgezinnen zetten tegenwoordig heel wat meer om dan een paar dozijn nuffige directeursvrouwen.

Merkwaardig genoeg was het opnieuw een principebeslissing van de Grouwster bestuurders, waarmee het lot van de camping, maar nu in omgekeerde richting, werd bezegeld. Men vond namelijk dat het in deze tijd niet meer de taak van een gemeente is om zich bezig te houden met de exploitatie van een camping, dat daar ondernemers voor zijn die risico's mogen nemen, dat daar 'desnoods een stukje speculatie in mag zitten', en dat het verder aan de vrije markt is om de toekomst van deze camping te bepalen.
Het gevolg is dat de vakantievreugde van vele honderden mensen is opgeofferd aan een projectje dat alleen ten goede zal komen aan een projectontwikkelaar, een paar speculanten - het stuk grond is ondertussen alweer enkele malen doorverkocht - en een aantal rijke Duitsers.

De enige verklaring die de plaatselijke bestuurders voor dit alles geven bestaat uit toverwoorden : 'kwalitatieve opwaardering', 'koopkrachtige groepen', 'rendement', 'slechtweeraccomodaties', 'ondernemerschap', 'vrije markt', 'upgrading', 'nieuw elan'.

Het is het nakauwen van de taal waarmee ze omgepraat zijn, de beelden van een wereld die ze niet kennen, laat staan beheersen, de cargo-cult van bestuurders die hun oude idealen hebben afgeschreven en voor wie de verwarring totaal is.

Helaas, tante Maai, Grouw staat allesbehalve op zichzelf. Er waait in deze jaren een indrukwekkende gekte door Nederland. Alles wat we aanraken wordt van geld: kampeerterreinen, universiteiten, wereldtentoonstellingen, maar ook goede raad, een idee, een droom, zelfs deze brief, het wordt omgezet in geld. Voor de toegang tot de zwembaden en de recreatiegebieden die door uw generatie met zweet en tranen zijn aangelegd - het ging immers om de kinderen - moet fors betaald worden, anders worden ze uitgevent aan de meeste biedende.

Aan de universiteiten wordt de productie van de wetenschappers tot achter de komma berekend, als het vetgehalte van een koeien, in mensuren, studiepunten en taakbelasting. Tegelijk worden onrendabele vakgroepen met één pennestreek opgeheven, hun soms eeuwenoude, generatie na generatie zorgvuldig opgebouwde bibliotheken verpatst. Alleen rendement dat meetbaar is bestaat. Het kapitaal dat niet meetbaar is wordt in deze jaren op grote schaal vernietigd. Wie op deze monsterscholen wil overleven dient in de eerste plaats een meester te zijn in kantoorpolitiek. Wijsheid en visie zijn eveneens onmeetbaar, en dus niet in tel.

De handel in wind heeft sinds de achttiende eeuw niet meer zulke vormen aangenomen. Hoogleraren verkopen hun goede naam als hoeren. Een middag een professor in de zaal is tegenwoordig gewoon bij een universiteit te koop - voor ???om precies te zijn. Hun beeld van geleerdheid zetten ze om in grof geld door dunne, glimmende, deftige boekjes te schrijven voor bijvoorbeeld Schiphol of 'Kluwer Boek Promotions'. Iets nieuws staat er niet in, behalve zeepbellen: 'magneetfunctie', 'upgrading', 'internationale toplokatie', 'global village'.

Stadbestuurders en volksvertegenwoordigers lopen als kinderen achter deze opgeblazen hofdichters aan. Ieder beetje stuk stad in dit land heeft op dit moment wel een 'waterfront' of een ander 'cityplan' om het 'cosmopolitische karakter' van het dorpsplein te versterken of de 'internationale toplocatie' van een drassig stuk grond te accentueren. Grouw mag zijn eigen waterfrontprojectje hebben, in Deventer willen ze torenhoge flats aan de IJssel bouwen, in Den Haag komt een nieuw stadhuis, Arnhem heeft zich vastgebeten in een enorm overdekt sportcomplex, het Akzodrome, in Amersfoort spreekt men al over het toekomstige 'Manhattan aan de Eem', Amsterdam verkoopt zichzelf aan het IJ-overproject en de Amsterdam Waterfront Financieringsmaatschappij, in Rotterdam komt de Kop van Zuid, in Eindhoven moet het nieuwe muziektheater het helemaal gaan maken, in Tilburg een gigantische winkelpassage en uw eigen Leeuwarden ontleent sinds kort haar prestige aan een zinloze, onbehoorlijk hoge kantoortoren, die kilometers in het rond het vlakke Friese land verscheurt. Een 'markeringspunt' noemen planners en beleggers zoiets, want ook ruimte en lucht, ook de leegte van een horizon kan verkocht worden, waarom niet?

Nu is deze reactie, lieve tante Maai, ook niet helemaal onbegrijpelijk. In uw tijd waren gemeenten vooral afhankelijk van Den Haag, en de beste manier om wat extra's in de wacht te slepen was zielig doen. In de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat was het voor steden buitengewoon rendabel om zoveel mogelijk problemen te etaleren. Nu de overheid geen geld meer heeft, moeten de gemeenten voor grote werkgelegenheids- en andersoortige projecten de markt op, en aan de wetmatigheden die daar gelden moeten ze nog heel erg wennen. Opeens moeten ze nu juist benadrukken hoe goed het allemaal gaat, dat er sprake is van een uitstekend ondernemingsklimaat, fantastische culturele voorzieningen en dat er geen wolkje aan de horizon te bekennen valt. Ze beloven honderd Grouwster voetgangersbruggen, ze steken bij voorbaal al handenvol geld in wegen, trambanen en andere infrastructurele voorzienigen, en gaandeweg beginnen ze al hun 'city-marketing' zelf nog te geloven ook.

Maar tegelijk, en dat kunnen we nu deze gekte een jaar of wat over het land geraasd heeft wel constateren, loopt het vrijwel overal net zo af als daar in Grouw. Het blijven natte vuurpijlen, en echt lukken doet het allemaal niet. De praktijk blijft ver achter bij de glimmende woorden en de stedebouwkundige pornolectuur, en wat er tot nu toe gebouwd is, is vooral van symbolische waarde. Een van de belangrijkste bladen op vastgoedgebied, 'Vastgoedmarkt', waarschuwt keer op keer dat als al deze ambitieuze stedelijke projecten gerealiseerd worden, er binnen een paar jaar meer kantoorruimte op de markt komt dan Nederland tot ver in de volgende eeuw nodig zal hebben. En wat Amsterdam betreft wijzen deze en andere experts er fijntjes op dat de beleggers die met de Londense Docklands al het schip in gingen de IJ-oevers al helemaal niet aandurfden. Immers: grote nationale en internationale bedrijfsverhuizingen richting Amsterdam zijn binnen afzienbare tijd niet te verwachten, de grote banken hebben net allemaal nieuwe vestigingen betrokken en dat betekent dat de kantoorwerkgelegenheid voor de IJ-oevers grotendeels uit Amsterdam zelf zal moeten komen. Het netto-resultaat is volgens hun prognoses dus leegstand, loze kantoordozen, verspilling van geld en ruimte, hetzij aan de IJ-oevers zelf, hetzij elders in de stad.

"Papieren tijgers," zo betitelde de Utrechtse stadssocioloog dr. J.P.L. Burgers onlangs de meeste van deze cityplannen, en hij vergeleek ze met de projecten van de Engelse 'Urban Development Corporations', die in de binnensteden tal van oude fabrieken en kantoren hebben omgetoverd in luxe kantoorgebouwen en trendy appartementen en waar nu twee woorden je van alle gevels toeschreeuwen: 'TO LET'. Het is allemaal te huur, en het is net als de werkloze jongeren in de naburige wijken: "All dressed up and nowhere to go".

Wat brengt een gemeentebestuur als daar in Grouw nu zover, dat ze hun ziel en zaligheid opeens aan de eerste beste voorbijganger verkopen? Ik heb me laten vertellen dat het in dit geval een reisje is geweest naar Spanje, aangeboden door een gelikte Leeuwarder zakenman, die een paar Grouwster bestuurders had laten wat voor moois hij daar allemaal wel niet had neergezet, duizend woningen in een "kanaal-achtige situatie aan het water."

Zoiets moest ook mogelijk zijn aan het Pikmeer. Als de bestuurders wat minder onder de indruk waren geweest en de geloofsbrieven van de desbetreffende zakenman hadden nagetrokken, dan waren ze erachter gekomen dat de man in financiële kringen niet geheel van onbesproken gedrag was.  Kort na het tekenen van de contracten verkocht hij de grond, met een forse winst, door aan een derde. Van de oorspronkelijke plannen heeft niemand ooit meer iets vernomen.

In Amsterdam, de stad waar ik tegenwoordig woon, heeft zich onlangs iets soortgelijks voorgedaan. Al enige tijd staat daar de Waag leeg, eigenlijk een oude stadspoort, midden op een plein, een klein kasteeltje lijkt het wel, en als het ooit opgeknapt wordt zal het een juweel zijn voor de stad. Een paar jaar geleden meldde zich bij de gemeente een groepje beginnende ondernemers, die dat varkentje wel eens even zou wassen. Ze wilden er een multifunctioneel ontmoetingscentrum van maken, en daaronder moest een zogenaamd 'Grand Café' komen. Van horeca hadden de jongens op dat moment nog geen barst verstand, maar omdat ze uitstekende contacten hadden binnen het gemeentelijke apparaat - een paar van hen waren zelf ambtenaar geweest - werd de restauratie van de Waag aan hen gegund. Het particulier initiatief moest zijn kansen krijgen. Nu, vier jaar later, is de gemeente enkele miljoenen lichter, het groepje is allang failliet, binnen in de Waag zijn allerlei monumentale trappen, muren en plafonds verwijderd, doorgebroken of anderszins naar z'n mallemoer geholpen en van buiten staat het gebouw er nog even haveloos bij als voorheen.
Terwijl in diezelfde maanden, na een enorme rel, een wethouder van cultuur viel over de mislukte restauratie van een modern schilderij, wordt over het verprutsen van de restauratie van het oudste wereldlijke gebouw van de stad nauwelijks gesproken. Toch draagt het gemeentebestuur van Amsterdam in deze kwestie een zware verantwoordelijkheid. In zijn zucht om desnoods ook nog zijn oude overgrootmoeder te gelde te maken, had de desbetreffende wethouder de eis gesteld dat de exploitatie van zelfs dit topmonument 'kostendekkend' moest zijn. Geen beschaafde stad bedenkt zoiets. Amsterdam wel.

Wat de Waag betreft is deze verplichting onlangs weer ingetrokken, dus er is nog hoop. Maar boven een aantal andere monumenten hangt de rendementseis nog steeds als een zwaard van Damocles. In de Oude Kerk, het oudste gebouw van de stad, wil het kerkbestuur bijvoorbeeld vloerverwarming aanbrengen, om het gebouw ook in de winter voor ontvangsten en andere commercieel aantrekkelijke activiteiten te kunnen exploiteren. Zo'n gebouw van vijfhonderd jaar oud is daar echter niet op ingesteld. Alles moet overhoop, alle graven moeten worden geruimd, en bovendien: wat gebeurt er als de houtconstructie gaat werken? Wat voor effect heeft zo'n temperatuurverandering op het orgel? Wat als de bonte knaagkever die in de houten kap zit, zich door de warmte gaat uitbreiden? De bezwaren van de monumentenexperts vinden nauwelijks gehoor. Ook het verleden is gewoon te koop, en als het verkocht is, is het verder onze
zorg niet meer.

Dit brengt me op een aspect van deze nationale gekte dat u, als socialiste, misschien vreemd zult vinden: de beschaving van het geld. Rijkdom brengt namelijk ook een aantal bijzondere maatschappelijke verantwoordelijkheden met zich mee. Een boel geld genereert ook een boel macht, en daar moet je een beetje netjes mee omgaan, anders ontstaan er, door de overmaat van eenzijdig financiëel geweld, ernstige maatschappelijke problemen. Traditioneel rijke families voelen dat, uitzonderingen daargelaten, vaak uitstekend aan. De nieuwe rijken hebben daar meer moeite mee, en bovendien worden ze in deze consumptiemaatschappij ook niet meer gehinderd door de betrekkelijke soberheid die veel rijken tot in de jaren vijftig kenmerkte.

In het Grouw van de jaren vijftig, zoals u en ik dat nog gekend hebben, liepen ook al een aantal buitengewoon rijke Friezen rond: Bokma, Buisman, Halbertsma van de houtfabriek en notaris Kingma - Boltjes. Rondom het meer hadden sommigen een tweede huisje, meestal iets simpels van hout, het dak van riet. Hun rijkdom lag discreet in de jachthaven in de vorm van kleine, maar prachtig afgewerkte boeiertjes, peperdure stukken drijvend antiek, maar alleen de kenner zag dat er aan af. Als notaris Boltjes ging zeilen trok hij het jasje van zijn eeuwige donkerblauwe pak uit, deed een witte zeilpet op en zette zich vervolgens in vest, overhemd en stropdas achter het helmhout. Als de stokoude Bokma - dezelfde als van de handtekening op de flessen die u doen gruwen - erop uit wilde liet hij zich door zijn schipper het meer overzeilen, hij ging dan voor anker in altijd dezelfde poel in de Wijde Ee, en vervolgens liet hij zich vanuit een nabijgelegen boerderij - ook zijn eigendom - zijn lievelingsmaaltijd bereiden: snijbonen met sudderlapjes en sju.

U had het in uw tijd niet zo op dat volk, en met reden, ik weet het, maar vergelijk dat nu eens met het soort de nu in drie verdiepingen hoge motorjachten het meer overpatst, dat een met dikke auto en een gladde PR mooi weer speelt van geleend geld, dat verantwoordelijk is voor het verkrachten van de mooiste lokaties met de ellendigste glas- en betonpalen, dat zich gedraagt als de taxichauffeurs van de vrije markt, dat er jaarlijks meer dan een half miljard gulden belastinggeld doorheenjaagt aan flauwekulvoorlichting, dat nog nooit iets anders heeft geproduceerd dan geparfumkeerden winden, dat declareert als beesten, dat graait wat er maar te graaien valt. Dat tuig, daar hebben wij nu mee te maken. Het is dat tuig - oh ja, ik weet het, er zijn uitzonderigen - waaraan ons kunstbeleid, onze architectuur en onze stedebouw wordt uitverkocht.
Dat zijn lang niet alleen beleggers en projectontwikkelaars. Ook ambtenaren en volksvertegenwoordigers verkeren steeds vaker in deze kringen, en ze vinden het maar al te fantastisch. Hun taal is die van de markt geworden, ze gedragen zich als ondernemers, de overheid is 'hun' 'bedrijf' en wij, de trotse citoyens van weleer, zijn gereduceerd tot 'cliënten', alsof het om een kruidenierswinkel gaat.

Nu moet ik toegeven: het is inderdaad een beetje tegengevallen, wat een overheid allemaal kon. Ik weet dat u daar altijd anders over hebt gedacht, maar zolangzamerhand is echt gebleken dat bepaalde stukken van het werk van de overheid beter bedrijfsmatig kunnen worden opgezet. En soms kun je het inderdaad zelfs maar beter uitbesteden. Geen kwaad woord daarover.

Bovendien blijkt een heleboel planning en sturing in de hedendaagse samenleving niet meer zo goed te werken. Maar dat is nog geen reden om dan maar, zoals op dit moment veel bestuurders in hun verwarring doen, de cultuur van het bedrijfsleven klakkeloos te omhelzen. Ook in deze jaren heeft een overheid zich aan hele andere regels te houden dan de wetten van het markmechanisme, en dat zal altijd zo blijven. Bijvoorbeeld aan de norm van de verdelende rechtvaardigheid, de regel 'gelijke monnikken, gelijke kappen', de eis om ook en vooral te zorgen voor de partijen die zich niet met veel fanfare op de markt kunnen vertonen: de jongsten, de oudsten, de armsten en de zwaksten.

De product-cliënt vergelijking is daarom voor een overheid, in haar simpele algemeenheid, een buitengewoon gevaarlijke. Het is een vergelijking die het beeld oproept van kopen en verkopen, produceren en direct consumeren, van hier en nu, van een blikveld dat niet veel verder reikt dan een jaar of vijf, op z'n hoogst tien, misschien. Het kenmerk van een goede bestuurscultuur is dat gedacht wordt in termen van leven en wonen, in termen van decennia en soms zelfs van generaties, in termen van outcome inplaats van output. Maar als een politiek systeem voornamelijk beheerst wordt door tevredenen - door John Kenneth Galbraith in zijn laatste boek 'The Culture of Contentment' vlijmscherp geanalyseerd - is het resultaat een bestuur dat zich niet richt op de realiteit of op gemeenschappelijke behoeften, maar enkel op de beelden en geloofsbeginselen van de tevredenen. En een van de belangrijkste religies van die tevredenen is nog altijd, zoals Galbraith het noemt, "de rustige theologie van het laissez-faire", de belofte dat, zonder dat een mens weet hoe, dankzij de vrije markt aan het eind altijd alles ten goede zal keren.  Herinnert u zich nog die gekken van de Sociaal Democratische Bond - was het niet afdeling Opsterland? - die bij motie besloten dat het opperwezen niet bestond? U zult het niet geloven, tante Maai, maar hun achterkleinkinderen zijn nog steeds aktief. Alleen is het nu de godsdienst van de vrije markt die ze belijden, met een fundamentalisme dat geen enkele ander gedachtengoed naast zich dult, waar ook ter wereld.

Laatst was ik uitgenodigd voor een soort ontvangst, 's avonds, in het Rijksmuseum. We mochten, exclusief, met een aantal andere inviteé's, onder het genot van een hapje en een drankje de grote Rembrandttentoonstelling zien, waar je anders drie dagen voor in de rij moest staan. Het bedrijf dat ons uitnodigde had de tentoonstelling gesponsord, en nu waren die schilderijen blijkbaar ook een beetje van hem. Een beetje meer van hem dan van al die andere Nederlanders, die gewoon in de rij moesten staan. Zo beginnen die dingen.

Bijna onopgemerkt zijn de afgelopen jaren twee kleine, maar eerbiedwaardige instituten in de uitverkooprage meegezogen: het Kadaster en het IJkwezen. Die privatisering tekenend voor de nonchalance waarmee de overheid in deze jaren met haar eigen taak omgaat. Het kenmerk van een democratie is, dat macht in beginsel 'leeg' is, zo hoorde ik pas de Rotterdamse hoogleraar rechtsfilosofie R. Focqué uitleggen. Leeg als bij wijze van spreken de harddisk van een nieuwe computer. Het democratisch systeem geeft vervolgens allerlei regels en procedures om die macht te 'vullen', maar die vervulling is per definitie altijd tijdelijk. Dit in tegenstelling tot de altijd 'volle' macht van een absolutistisch regime. Iedere bestuurder, iedere machthebber in een democratie is zo in principe altijd een voorbijganger. Hij heeft zijn bevoegdheden 'geleend', en hij zal ze ook weer moeten teruggeven.

Alleen: wie zijn bevoegdheden verkoopt, kan ze nooit meer teruggeven.

Als de gemeente Amsterdam bijvoorbeeld in het IJ-oeverproject een belangrijk deel van haar publieke bevoegdheden overdraagt aan het Amsterdam Waterfront Financieringsmaatschappij - en dat dreigt nu te gebeuren - wordt de 'leegte' van de Amsterdamse democratie op dit gebied grotendeels ingevuld door een nieuwe, permanente, ondemocratische factor: het absolutisme van de kaste van beleggers en projectontwikkelaars. Natuurlijk, zegt de gemeente, wij zijn ook partner in dat project, we zijn er levend bij. Alleen: hoe sterk is een gemeente tegenover deze krachten? En, in concreto, hoe sterk is een ambtelijke dienst stadsontwikkeling die de laatste tien jaar de grootste leegloop en verbrokkeling heeft gekend uit haar geschiedenis?

Aan de kop van het Singel, naast het Centraal Station, verrijst in deze maanden een grijze klaagmuur, een kolos van Oost-Europese maatvoering en snit, het zogenaamde Wagons-Lits hotel. Het is een typisch parasitair gebouw: van buitenaf is het een ramp, maar van binnenuit zal het uitzicht over de stad fantastisch zijn. Wagons Lits kon dit uitzicht kopen, omdat twee wethouders die beslissing met hun volle gewicht door een tegenstribbelende gemeenteraad wisten te persen. Het moest het eerste symbool worden van hun toen zeer omstreden IJ-oeverplannen - overgens hele andere plannen dan de huidige. Het gevolg is dat het hotel nog voor het gereed is ernstig zal detoneren, zowel in het huidige stadsbeeld als in het toekomstige.
Het is nog steeds niet veel meer dan een symbool, dat hotel, maar dan vooral een symbool van wie uiteindelijk, de macht in handen heeft.

Grouw is niet zo ver van Amsterdam. Op de camping zijn ze op dit moment bezig kavels af te bakenen. Als je over het dijkje langs het meer loopt, al eeuwenlang het openbare pad van Grouw naar Drachten, begint een man te schreeuwen wat je daar doet, en dat het van hem is. Alleen de oude notaris Hoekstra had zich niet laten ringeloren, toen ze hem een paar ton boden voor zijn lapje land, om daar een insteekhaven te kunnen maken. "Geld," had hij geroepen, "Kom me daar niet mee, dat geeft alleen maar zorgen, ik heb er al veel te veel van, geld, bewaar me, alleen maar ellende heb ik ervan." Daar hadden ze niet tegenop gekund. Maar zoals Hoekstra, zo zijn er niet zoveel.

Lieve tante Maai.
De laatste keer dat we elkaar spraken woonde u in een bejaardenflat, het rook er naar boenwas en het pluchen tafelkleed, de klok tikte de uren weg en ik kreeg een jodenkoek op een schoteltje.
We praatten over de politiek. "Waar jullie nu beginnen, daar hielden wij vroeger op," zei u hoofdschuddend. "Den Uyl, ach, geen kwade man hoor, maar us Pieter Jelles, die kon pas praten!"
En nu opeens weer een brief over de politiek. Ik weet niet of u dit allemaal nog interesseert, u bent al zo lang weg. Maar ik wou u het alleen even vertellen: alles ligt weer op straat, tante Maai, alles ligt op straat, en alles is te koop.

Als altijd de uwe,

Geert Mak