De Morgen - Van Randwijklezing

Het lijkt of er de laatste jaren een kwade geest over de wereld waait die alles en iedereen in zijn greep neemt, die alles aanjaagt en besmet, zei Geert Mak in de jaarlijkse Van Randwijklezing in Vlissingen. Altijd, juist nu, moeten we bereid zijn tot verzet. Wegkijken maakt medeplichtig

‘De vrijheid wordt bedreigd door de fascistische bacillen die hier zijn ontstaan en achtergebleven’. Dat schreef Henk van Randwijk in mei 1945, de grote verzetsman die weleens werd vergeleken met ‘een komeet die door je leven schoot’. Zo heb ik het zelf, in de jaren zestig nog een scholier in het verre Friesland, ook ervaren. Alles verslond ik van hem. Veel van zijn stukken zijn na al die jaren nog net zo fris als toen ze verschenen. En wat is alles in deze fragiele jaren van de 21ste eeuw, opnieuw schokkend actueel.

Van Randwijk was onderwijzer, dichter en romanschrijver, en tijdens de bezettingsperiode groeide hij, als hoofdredacteur van het illegale Vrij Nederland, uit tot een van de aanvoerders van het geestelijk verzet. Daarna was hij journalist, diplomaat, uitgever en televisiepersoonlijkheid, vaak door elkaar heen. Hij heeft velen tot in het hart geraakt. Zinnen en gedachten van Van Randwijk bleven overal opduiken, op de meest onverwachte plekken, van de Staatscourant tot de zijgevel van een Amsterdams kraakpand.

‘We staan tesaam voor het gericht

voor goed of kwaad te kiezen

een volk dat voor tirannen zwicht

zal meer dan lijf en goed verliezen

dan dooft het licht’

Nu, zestig jaar na zijn dood, is het een Amerikaanse tv-serie die ons leven beheerst. De hoofdpersoon is een notoire oplichter, een New Yorkse onroerendgoedhandelaar die zesmaal failliet ging maar desondanks met veel bombast de Amerikaanse massa wist te betoveren en voor een tweede keer het presidentschap veroverde. Zijn nieuwe regering bestond grotendeels uit incompetente hielenlikkers en complotdenkers, zijn minister van Oorlog was een zwaar getatoeëerde kruisvaarder. Binnen een paar maanden hadden ze het overheidsapparaat grotendeels naar hun hand gezet. Klimaatwetenschappers werden en masse de laan uitgestuurd, rechterlijke uitspraken lapten ze aan hun laars, de president timmerde de immigratiedienst om tot een eigen militie en daarna opende hij de jacht, met name op gekleurde illegale buitenlanders.

Een gouden vondst van de makers was de narcistische persoonlijkheidsstoornis van deze president. In een van de eerste afleveringen was er direct al gedoe rond de ambtseed, hij weigerde die aanvankelijk af te leggen op de bijbel. Enkel zijn eigen boek telde, een verhandeling over het maken van ‘deals’ – deals waaraan hij zich trouwens gedurende zijn hele loopbaan nooit had gehouden. Dag na dag stroomden de leugens uit zijn mond, bijna wekelijks veranderde hij van standpunt.

En alles draaide, uiteindelijk, om geld. De puinhopen, na een gruwelijke oorlog in het Midden-Oosten, zag hij vooral als de basis voor een veelbelovend onroerendgoedproject. Zijn belangrijkste internationale onderhandelaars waren dan ook geen diplomaten maar zijn schoonzoon en een kennis uit de vastgoedwereld. De corruptie van zijn kliek liep in de miljarden, en alles verliep nu open en bloot. Vliegvelden, stations en culturele centra moesten zijn naam krijgen, in Washington werd een triomfboog opgericht, anderhalf keer zo hoog als die in Parijs, de historische rozentuin van het Witte Huis werd platgewalst voor een enorme balzaal – ja, deze koning zou blijven.

Een hilarische subplot draaide om Groenland en de Nobelprijs voor de Vrede. De president, die in de waan verkeerde dat hem de Nobelprijs voor de Vrede ten onrechte was onthouden, wilde omwille van Groenland een oorlog met Denemarken beginnen. Ternauwernood werd dat voorkomen. Maar met Iran werd het menens. Als briljante strateeg meende hij dat land met wat bombardementen vanaf zijn golfbaan gemakkelijk te kunnen veroveren. Toen hij in dat moeras vastliep gingen alle remmen los, binnen een uur, pochte hij, kon hij een hele beschaving vernietigen. Ondertussen hoorde je steeds meer gefluister over zijn geestelijke gezondheid.

De laatste weken zien we een nieuwe subplot opkomen. Het wordt, denk ik, een variant op het sprookje van de kleren van de keizer, we wachten nu op de gezaghebbende stem die nuchter benoemt wat er werkelijk aan de hand is, een werkelijkheid die Amerika en een groot deel van de officiële wereld nog altijd weigert onder ogen te zien. Namelijk dat het beleid van het machtigste land ter wereld niets meer te maken heeft met politiek en diplomatie, maar steeds meer wordt bepaald door specifieke ziektebeelden binnen de psychiatrie.

Ja, die werkelijkheid. Dit is immers geen serie, dit gebeurt nu echt, het gaat om onze eigen wereldorde, onze eigen democratie, onze eigen rechtsstaat. Bijna tachtig jaar waren we, ondanks alles, betoverd door onze Amerikaanse bevrijders, door de Marshallhulp daarna, door de grootsheid van dat land dat, mede, ook onze cultuur bepaalde. Nu moeten we onder ogen zien dat veel van wat de huidige Amerikaanse president uitricht ook typisch Amerikaans is, en past in een Amerikaanse traditie.

Natuurlijk, de huidige oorlog tegen Iran, een politiek moeras dat alle vorige presidenten altijd vakkundig hadden vermeden, is in de eerste plaats het product van de roekeloosheid van de huidige president en de incompetentie van zijn naaste adviseurs. Zeker als deze operatie nog extra wordt aangejaagd door de religieuze ijver en doodsdrift van zijn minister van Oorlog – trouwens ook een wezenlijk onderdeel van de Amerikaanse religieuze traditie. Maar het is ook een typisch Amerikaanse operatie, met alle fouten die we maar al te goed kennen.

‘Als hij niet had bestaan dan zou de geschiedenis wel iemand als hem hebben uitgevonden’, hoor ik sommige Amerikaanse commentatoren zeggen. Deze president is volgens hen het logische eindpunt van tientallen jaren Amerikaanse geschiedenis: de verslaving van het land aan technologische snufjes om verre oorlogen te voeren, het verleidelijke geloof dat je overal ter wereld de zaken met geweld naar je hand kunt zetten zonder enige kennis van de lokale omstandigheden, het almaar verder wegslijpen van de grondwettelijke beperkingen van het presidentschap. Inderdaad, lees nog maar eens de laatste rapportage van het V-Dem Instituut in Göteborg dat democratieën over de hele wereld volgt. Amerika, schreven de onderzoekers dit voorjaar, beweegt zich in de richting van een autocratie in een tempo dat in de moderne geschiedenis nooit eerder is waargenomen. Op het terrein van burgerrechten en gelijkheid viel het land in één jaar tijd zeker zestig jaar terug. En dat heeft een uitstraling over de hele westerse wereld.

De geschiedenis herhaalt zich nooit, wordt wel gezegd, maar alles rijmt wel. Van Randwijk en zijn geestverwanten werden al vanaf 1933 voortgedreven door een sterk gevoel van een naderend onheil. ‘We weten het, we voelen het, en toch, en toch, we kunnen er niks aan veranderen,’ schreef hij een vriend. ‘Het is sterker dan onze menselijke wil, en het drijft de spot met ons proberen. We kunnen niet meer anders.’ Onderling voerden ze hevige discussies over de noodzaak tot geweld om de vrijheid te verdedigen. Vrede, schreef Van Randwijk, is immers veel meer dan enkel het neerleggen van de wapens. Vrede is ook gerechtigheid, vrede is ook vrijheid. En om dat te behouden is geweld soms onvermijdelijk.

Het is allemaal, in deze tijden, zorgelijk herkenbaar. Ooit komt er wel weer een einde aan het bewind van deze losgeslagen zonnekoning, maar nu al is de schade bijna niet te overzien. De schade voor Europa, de schade voor de hele democratische wereld, de schade voor ons allemaal. Artikel 5 van het Navo-verdrag, de ijzeren belofte van onderlinge hulp en bijstand, de kern van de gezamenlijke afschrikking, is door alle gezaaide twijfel al kapot.

En dat geldt voor meer terreinen. Het vertrouwen, de basis voor ieder bondgenootschap, is compleet weg, en dat in een situatie waarin ons Europese buurland Oekraïne gewikkeld is in een gevecht op leven en dood met een plunderend dievenregime uit Moskou, een gevecht voor haar onafhankelijkheid, maar ook een gevecht om het behoud van Europa en de Europese waardengemeenschap.

Om de Georgische auteur Nino Haratischwili te citeren: ‘De beste van alle tot nog toe voorkomende vormen van maatschappelijk samenleven loopt vast, terwijl overal brandstapels worden aangestoken waarop alles terechtkomt wat te maken heeft met gezond verstand, met feiten, empathie, naastenliefde en vrede.’ En dat gebeurt allemaal ook nog eens ‘in een tempo dat je de adem beneemt’.

Op 17 mei 1945 publiceerde Henk van Randwijk zijn het grote bevrijdingsartikel in Vrij Nederland. Het zou een klassiek stuk worden, met zijn bijna poëtische slotregels: ‘Terwijl wij dit schrijven is het donker geworden buiten. De lucht is nog bewolkt, maar als het straks regent zal het meiregen zijn.’

Alles was toen vol hoop. En die hoop is uitgekomen, en hoe. Er waren ook daarna allerlei oorlogen, maar een directe oorlog tussen de grootmachten is in de tachtig jaar die volgden uitgebleven – een grote zeldzaamheid in de wereldgeschiedenis. In die tachtig jaar is de wereldbevolking verdrievoudigd, is de gemiddelde levensverwachting verdubbeld, is de wereldproductie vijftien keer zo groot geworden. Die lange vrede kwam echter niet uit de lucht vallen. Daaronder lag een tijdens de Tweede Wereldoorlog zorgvuldig opgebouwde internationale orde die radicaal afweek van vorige ordes. Dat hebben we met name te danken aan de tomeloze inzet van de Amerikaanse president Franklin Roosevelt en de zijnen die daar al vanaf 1941, met het Atlantic Charter, mee begonnen. Die orde bleef echter fragiel, voortdurend moest er hard aan worden gewerkt om haar in stand te houden voor volgende generaties.

Henri Kissinger – niet altijd een goed mens, wel een heldere denker – voorspelde het al, in zijn laatste boek: die tachtig jaar vrede worden waarschijnlijk geen honderd jaar. Hij noemde een reeks oorzaken, waaronder de opkomst van nieuwe rivalen, zoals China, het opbloeien van oude rancunes, zoals Rusland, dat bereid is tot zwaar geweld om de oude glorie te herstellen, en de zelfoverschatting van mondiale winnaars, zoals Amerika, dat onvoorstelbaar veel militaire energie verspilde aan verre problemen als Irak, Afghanistan en nu weer in Iran.

Maar een hoofdoorzaak was volgens Kissinger vooral versuffing: de huidige generaties Amerikanen en Europeanen hebben geen persoonlijke herinneringen meer aan de gruwelijke kosten van een rechtstreekse oorlog tussen de grootmachten. Vroeger was de regel dat gemiddeld om de twee generaties zo’n oorlog plaatsvond. Dat lijkt totaal vergeten, zoiets is nu onvoorstelbaar.

De nieuwe roekeloze en illegale Amerikaans-Israëlische oorlog tegen Iran is niet ‘onze oorlog’, vinden de meeste Europese leiders en commentatoren, terecht, maar het is wel ‘ons probleem’ geworden. De Navo fungeert in deze situatie, in de woorden van politicoloog Koert Debeuf, steeds meer als een ‘toxisch bondgenootschap’, een systeem dat ons, Europeanen, ongewild kan meeslepen in onmogelijke conflicten zoals deze.

Op dit moment is het even, vanwege een wankele wapenstilstand, betrekkelijk stil. Maar militair is deze oorlog al geëscaleerd over het hele Midden-Oosten, met uitlopers tot Cyprus en Turkije, en de economische gevolgen strekken zich uit tot het dagelijks leven in Europa, Azië en de rest van de wereld. Die situatie kan snel tot nieuwe militaire kettingreacties leiden, een ‘mars der dwaasheid’, zoals de historica Barbara Tuchman het begin van de Eerste Wereldoorlog betitelde, een blinde, enkel door interne dynamieken bepaalde oorlogslogica. Het is eerder gezegd: grootheidswaan, incompetentie, misverstanden, bluf en ijdelheid, ze kunnen een aanvankelijk beperkt conflict zo gemakkelijk aanjagen tot een mondiale brand. Maar we blijven slaapwandelen. Wat we ons niet kunnen voorstellen bestaat toch immers niet?

Tja, het kwaad. Ik kan er nu niet meer omheen, het gebruik van dit zwaarbeladen woord. Het lijkt of er de laatste jaren een kwade geest over de wereld waait die alles en iedereen in zijn greep neemt, die alles aanjaagt en besmet

Wijlen Tony Judt, een befaamde kenner van de twintigste eeuw, vertelde ooit dat hij als Harvard-student een college volgde van de legendarische historicus Leszek Kolakowski getiteld The Devil in History. Al zijn studenten dachten dat hij het zou hebben over beelden en metaforen, maar gaandeweg viel er een diepe stilte in de collegezaal en Judts buurman leunde naar voren en fluisterde: ‘Ik snap het. Hij heeft het echt over de Duivel.’

Als je de levensloop van Kolakowski kent is dat begrijpelijk. Hij overleefde als jongen ternauwernood de nazi-bezetting van Polen, werd daarna een internationaal erkende marxisme-specialist en belandde uiteindelijk in het Westen, waar hij zich bekeerde tot het katholicisme. Het kwaad is eigen aan de menselijke soort, doceerde hij daar in Harvard. ‘Het is niet een vaag begrip, nee, het is een hardnekkig en niet te ontkennen feit. Het kwaad is een onderdeel van onze ervaring. Onze generatie heeft er genoeg van gezien om die boodschap buitengewoon serieus te nemen.’

Toch is de discussie over het kwaad in de wereld en in de geschiedenis jarenlang vermeden. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog, juist toen er alle reden toe was, bleef het in de intellectuele wereld grotendeels stil – op moedige enkelingen na zoals Primo Levi en Hannah Arendt. Waren wij, westerlingen, te seculier geworden, waren we ieder geloof kwijtgeraakt? Of was alles zo groot en verpletterend dat we het niet onder ogen durfden te zien? Ook Tony Judt erkende dat hij dat grote zwijgen toentertijd niet vreemd had gevonden hoewel ook hij, als jood, familieleden had verloren in de vernietigingskampen.

‘De stilte scheen heel normaal’, schreef hij later. ‘Hoe kun je, achteraf gezien, die bereidheid verklaren om het onaanvaardbare te aanvaarden? Waarom wordt het abnormale schijnbaar zo normaal dat we het niet eens merken? Waarschijnlijk om dezelfde treurigmakende reden die Tolstoi noemt in Anna Karenina: “Er zijn geen situaties in het leven waaraan een mens niet gewend kan raken. Vooral als hij ziet dat die worden geaccepteerd door iedereen om hem heen.”’

Daarin ligt misschien de kern: mensen zijn niet zozeer slecht, ze zijn vooral zwak. Te zwak om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun daden, om op te staan tegen de macht, om tegen de meerderheid in te gaan. Wanneer de staat en de politiek mensen tot bepaalde misdrijven aanzetten is dat dan ook een enorme stimulans, dat wekt de indruk dat alles kan en mag. Hetzelfde geldt als de omstanders passief blijven, te vaak wordt dat wegkijken gezien als een vorm van goedkeuring. Want o, wat is het gemakkelijk je af te wenden en je ogen dicht te houden, of het nu gaat om Gaza, Soedan of om ons eigenste Loosdrecht, waar pas nog rondom een tehuis met de vijftien doodsbange vluchtelingen de vlammen oplaaiden.

Het kwaad als ‘morele desintegratie’. Hannah Arendt beschreef het ooit zo, in een indrukwekkend essay over de persoonlijke verantwoordelijkheid onder een dictatuur. Ze had alles zelf meegemaakt tijdens de opkomst van het nationaal-socialisme, toen de publieke sector steeds meer criminele trekken begon te vertonen. Dat was gevaarlijk en beangstigend, schreef ze, maar het gaf geen morele problemen. Lastig werd het toen zoveel mensen, gretig om de trein van de geschiedenis niet te missen, ook hun moraliteit, hun gevoel voor persoonlijke verantwoordelijkheid, opzijschoven en simpelweg hun oude waardensysteem inruilden voor een nieuw. Wat ons schokte, schreef ze, was niet het gedrag van onze vijanden maar dat van onze vrienden – al hadden we in die vroege fase nog geen idee hoe ernstig dit allemaal was en waar het toe zou leiden.

Ook Van Randwijk schreef, onder de titel Wat doet een man in zulk een tijd, over diezelfde normalisatie van het kwaad. ‘Wanneer men oorzaak en gevolg niet meer van elkaar wil onderscheiden, wanneer men over vrede spreekt zonder de vraag van recht en onrecht te stellen, wanneer men over menselijkheid spreekt zonder verdrukkers en onderdrukten te zien, wanneer men over orde spreekt zonder de enige strategie die de zwakke is overgebleven als legitiem te erkennen… ja, dan is het gemakkelijk om over vrede en fatsoen te spreken.’ Hij had dat allemaal in de oorlogsjaren ervaren, hij hoorde toen een eenvoudige joodse man zeggen: ‘Als je niet weet wat je doen moet, moet je je beginselen volgen. Daar heb je ze voor.’

De historicus Philipp Blom hanteerde ooit de schitterende term ‘resonantieruimte’. Als je een keramiekschaal wil kopen is er een heel gemakkelijke manier om erachter te komen of onder het glazuur een onzichtbare barst zit. Zet de schaal op je vingertoppen en tik ertegen met je andere hand. Als je een welluidend ‘ping’ hoort is alles intact, hoor je een doffe tok dan zit er een barst in, dan zal de schaal vroeg of laat onherroepelijk breken. Volgens Blom lijkt het erop dat onze ‘resonantieruimte’ is verstoord, dat onze westerse samenlevingen geen ‘ping’ meer zeggen, dat ze geen sterk gemeenschappelijk verhaal meer hebben, geen algemeen aanvaarde wijsheden meer accepteren, te weinig geloof kennen.

De oorzaak ligt niet alleen bij de ontkerstening die in Europa al decennia gaande is. Ook het neoliberalisme van de afgelopen decennia heeft zijn sporen nagelaten. We hadden hier te maken met een ideologie die zelf ontkende dat het een ideologie was. Met zijn overmatige nadruk op de suprematie en de alwetendheid van de vrije markt werd het feit ontkend dat talloze kwesties ook politieke en morele keuzes zijn. Alles kon immers worden herleid tot meet- en telbare eenheden. Dilemma’s die verder en dieper reikten werden tegelijkertijd weggewuifd: er is geen alternatief.

Kiezers gingen daar maar al te vaak in mee. De bewuste en actieve burger veranderde de afgelopen decennia zo gaandeweg in een consument, een gebruiker van het collectieve geheel, niets meer dan dat. Waarden, en zeker religieuze en humanistische waarden, werden vervangen door emoties. En in tijden van polarisatie, zoals nu in Amerika, wordt dat burgerschap nog veel verder beperkt: daar opereren veel kiezers enkel nog als fans van een bepaalde leider, onderdeel van een bepaalde sekte. Iedere democratische discussie is dan voorbij.

Vrijheid is alleen geen marktwaar. Dat was, volgens Henk van Randwijk, de grote les van de bezettingsjaren, jaren waarin ook toen de Nederlandse elite – op een handvol uitzonderingen na – moreel had gefaald. Je verkwanselt die vrijheid niet voor rust. De vrijheid van mensen en volken is, door de hele geschiedenis heen, altijd met bloed en tranen verworven en bewaard, en in de toekomst zal dat niet anders zijn. ‘Zij wordt bedreigd’, schreef Van Randwijk, al in mei 1945, ‘door onze vermoeidheid en onze ondermijnde moraliteit; door de fascistische bacillen die hier na zoveel jaren propaganda en langzaam gegroeide ondemocratische gewoonten zijn ontstaan en achtergebleven. Zij wordt op duizend manieren bedreigd en wij kunnen haar op evenveel manieren verkwanselen en verraden.’

Zo is het inderdaad gegaan, en zo gaat het nog. We zien het dag na dag gebeuren, politici die de handen ten hemel heffen en die zich beroepen op de verschuivende opvattingen onder hun kiezers die ze, uit hoofde van hun democratische roeping, moeten blijven volgen. Dus ja, een handvol zieke vluchtelingenkinderen uit Gaza, en verder houdt het steenrijke Nederland de deur potdicht. Alleen: wat is nog de functie van politici als ze de publieke opinie niet kunnen veranderen? Als ze geen morele grenzen kunnen stellen? Als ze zo’n proces van normalisatie niet meer durven te stoppen? Waarom ben je politicus als je enkel volgt, als jij, op jouw beurt, je kiezers niet meer kunt beïnvloeden?

‘Er bestaat een mysterieuze cirkelgang in de loop van de mensheid’, zei president Roosevelt tijdens het dieptepunt van de crisisjaren – met toen al een dreigende nieuwe wereldoorlog op de achtergrond. ‘Aan sommige generaties is veel gegeven. Van andere generaties wordt veel verwacht. En deze generatie is bepalend voor de toekomst.’ Dat gold voor de Amerikanen van toen, en dat geldt evenzogoed voor ons, Europeanen, van vandaag – en speciaal onze leiders en politici, maar ook voor ons allemaal.

Gaan de jaren dertig zich dan herhalen? Nee, we leven nu echt in een andere wereld, met andere angsten en ambities, en met een ander soort despoten. Wel moeten we ons de lessen uit die jaren ter harte blijven nemen. De ontwrichting van de democratieën, het denken in termen van ‘zij’ en een superieur ‘ons’, het vertrappen van onze medemens in een almaar toenemend verbaal en fysiek geweld, het is allemaal angstwekkend herkenbaar. Meer dan ooit moeten we onze principes wakker houden, alert blijven, bereid zijn tot verzet, zo nodig woedend verzet.

De ‘resonantie’ van onze samenleving waar Philipp Blom over schreef, moet weer worden gevoeld, gezien en herkend. Naast het kwaad kom je op de meest vergeten plekken in de wereld en in deze samenleving immers ook het goede tegen. Op allerlei manieren zijn goede mensen aanwezig en actief, voor en achter de schermen, op straat en in de politiek, in de kerken – let op de nieuwe paus! -, op scholen en in bedrijven, in de ziekenhuizen in Gaza en in de daklozencentra en de voedselbanken in onze eigen steden. En vergeet alle dappere journalisten niet, die in oorlogszones blijven kijken en schrijven, die zorgen dat we nooit meer kunnen zeggen dat ‘we dit niet wisten’, en dat regelmatig met de dood moeten bekopen. Al die mensen houden, overal, het vuur van gewone menselijke goedheid brandende.

In 1933 was het de filosofe Jeanne Hersch die, als jong meisje, tussen een zee van opgejutte studenten, categorisch weigerde mee te roepen met het duizendvoudige ‘Sieg Heil’. Strak hield ze haar rechterarm langs haar lijf, haar arm weigerde stomweg omhoog te gaan. Achteraf schreef ze: ‘Niemand is verschoond van de plicht om een goed mens te zijn.’

Inderdaad, niemand is verschoond van de plicht om een goed mens te zijn. En nee, niet bang zijn. Moedig blijven.

Vlissingen, 5 mei 2026